30/04/2019

Een enkele deelgenoot van een tijdelijke vereniging kan niet ontvankelijk opkomen tegen een beslissing houdende niet-gunning van een overheidsopdracht

In het arrest nr. 244.315 van 30 april 2019 verwoordt de Raad van State het in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid als volgt:

'De rechtspraak van de Raad van State is in die zin gevestigd dat in principe alleen degenen die regelmatig kandidaat zijn geweest voor het uitvoeren van een overheidsopdracht, over de vereiste hoedanigheid en een voldoende persoonlijk en rechtstreeks belang beschikken om de nietigverklaring na te streven van de beslissing die de betrokken opdracht aan een andere inschrijver gunt. Immers, zoals de Raad van State reeds heeft geoordeeld onder meer in zijn arresten nrs. 152.172 en 152.174 van 2 december 2005 van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak en in zijn arrest nr. 243.820 van 28 februari 2019, strekt het beroep bij de Raad van State tegen een beslissing inzake de gunning van een overheidsopdracht, er idealiter toe de verzoekende partij een nieuwe kans te verschaffen om de opdracht zelf gegund te krijgen en zelf uit te voeren. Inzake een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid, accessorium van een annulatieberoep, is zulks niet anders. Indien een offerte wordt ingediend door een combinatie zonder rechtspersoonlijkheid is een annulatieberoep of vordering tot schorsing tegen een gunningsbeslissing in beginsel slechts ontvankelijk ingesteld indien zulks gebeurt door alle leden van de betrokken combinatie, samen optredend. Wanneer een van de leden van deze combinatie alleen optreedt voor de Raad van State, mist een dergelijke verzoekende partij de vereiste hoedanigheid en het rechtens vereiste persoonlijk en rechtstreeks belang bij haar beroep of vordering. Een beroep of vordering tot schorsing ingesteld voor de Raad kadert in een objectief contentieux. Er mag hierbij worden opgemerkt dat in de mate dat een lid van een combinatie aldus de Raad niet ontvankelijk kan vatten omdat zij hierbij alleen staat, zij haar subjectief recht op schadeloosstelling, wat haar belang bij de mislopen opdracht betreft, overigens bij de gewone rechter mag laten gelden.

Toegepast op onderhavige zaak, moet aldus worden vastgesteld dat het niet de verzoekende partij is die – alleen optredend – een offerte heeft ingediend. Integendeel, de offerte werd ingediend door de verzoekende partij samen met drie andere ondernemingen. Bijgevolg zijn het slechts deze vier ondernemingen samen optredend, die over de vereiste hoedanigheid en het belang beschikken om het huidig beroep in te dienen. Alleen handelend lijkt de verzoekende partij hier aldus de vereiste hoedanigheid en het rechtens vereiste persoonlijk en rechtstreekse belang te missen.

In de mate dat de verzoekende partij aanvoert dat de feiten in het voorliggende geval duidelijk anders zijn dan in het voormelde arrest nr. 243.820 van 28 februari 2019, lijkt haar argumentatie niet te kunnen worden bijgevallen om de volgende redenen. Op de eerste plaats maakt de verzoekende partij niet afdoende duidelijk waarom het feit dat de bestreden beslissing hier niet een impliciete weigeringsbeslissing is, doch slechts een gunningsbeslissing, haar wel de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang oplevert. Dit onderscheid lijkt geen rol te spelen in de rechtspraak van de Raad over deze problematiek waarbij een kans op het gegund krijgen van de opdracht voldoende lijkt. Voorts, wat haar argumentatie betreft dat het te dezen anders zou moeten zijn omdat zij in het huidig verzoekschrift wettigheidskritieken zou uiten die zouden leiden tot een volledig nieuwe procedure, blijkt een dergelijke nuancering, namelijk in functie van de draagwijdte van de aangevoerde middelen, op het eerste gezicht door de Raad van State in zijn rechtspraak niet te zijn gemaakt. Zoals de Raad van State reeds opmerkte in het voormelde arrest van 28 februari 2019 laat de zinsnede “elke persoon die een belang heeft of heeft gehad om een bepaalde opdracht […] te krijgen” zoals ook terug te vinden in het te dezen toepasselijk artikel 46 van de wet van 17 juni 2013, niet toe om anders te oordelen. De verzoekende partij heeft geen offerte ingediend alleen handelend en kan dus niet worden geacht een belang te hebben of te hebben gehad om de kwestieuze opdracht gegund te krijgen. Aan haar alleen mocht de opdracht niet worden gegund. Overigens lijkt de argumentatie van de verzoekende partij grondslag te missen. De gunningsprocedure lijkt immers niet vanaf het begin te moeten worden hernomen indien de argumenten van de verzoekende partij zouden worden aanvaard. Het eerste middel heeft in wezen betrekking op de wettigheid van het derde gunningscriterium en het tweede middel op een formeel motiveringsgebrek. Beide lijken dan ook de selectiefase bij de onderhandelingsprocedure onverlet te laten. De verzoekende partij lijkt dus ook in het licht van de door haar aangevoerde middelen onvoldoende aan te tonen dat zij een uitzicht zou hebben op een nieuwe kans om een nieuwe opdracht zelf gegund te krijgen met dezelfde of nieuwe combinatieleden. Haar argumentatie ter terechtzitting dat bij ernstig of gegrond bevinden van haar kritieken het geen optie zou zijn om de selectiebeslissing te behouden en dit om redenen van gelijkheid, wordt slechts geponeerd en is niet onderbouwd. Hierbij mag ook worden betrokken dat de verwerende partij in het kader van de vragen en antwoorden bij de opdrachtdocumenten uitdrukkelijk heeft geantwoord dat na het indienen van de aanvraag tot deelneming er wel leden aan de combinatie kunnen wordt toegevoegd, maar niet worden onttrokken. Overigens blijkt uit de stukken van het administratief dossier op het eerste gezicht ook niet dat de verzoekende partij zelfstandig aan de selectie-eisen voldoet, wat zij ook niet beweert.

De exceptie van onontvankelijkheid lijkt dan ook prima facie ernstig'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
13/08/2019

Decreet Gemeentewegen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad

Op 12 augustus 2019 werd het Decreet van 3 mei 2019 houdende de gemeentewegen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. 

Dit decreet heft de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen op en voorziet in een harmonisatie van de regelgeving met betrekking tot alle gemeentewegen.

Zo heeft de gemeenteraad voortaan de exclusieve bevoegdheid voor de aanleg, wijziging, verplaatsing en opheffing van alle gemeentewegen. De gemeenteraad kan, los van een andere procedure, beslissen over de aanleg, wijziging, verplaatsing en opheffing van alle gemeentewegen. Daarnaast wordt ook voorzien in een integratie van deze beslissing van de gemeenteraad in een ruimtelijke planningsinitiatief of de procedure van de omgevingsvergunning.

Tegen de beslissing van de gemeenteraad kan nu ook administratief beroep worden ingesteld bij de Vlaamse Regering.

Verder bevat het decreet regels over de realisatie van gemeentewegen, de afpaling en het beheer ervan, de verjaring en de voorwaarden voor een vergoeding voor waardevermindering of waardevermeerdering van de gronden waarop de gemeenteweg gesitueerd is.

Het decreet voorziet tot slot in uitgebreide handhavingsmogelijkheden voor de gemeente waaronder de last tot herstel, de bestuursdwang en dwangsommen.

Op 1 september 2019 treedt het decreet nu in werking.

De aangenomen tekst vindt u hier.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Lokale besturen, Merlijn De Rechter, Omgevingsvergunning, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/08/2019

Steve Ronse en Guillaume Vyncke schrijven noot ‘Raad van State bevrijdt gevangenis van Dendermonde omwille van gebrek aan redelijke alternatieven’ (TROS 2019, nr. 93, 35-44)

Steve Ronse en Guillaume Vyncke bespreken de geannoteerde arresten van de Raad van State van 6 februari 2018 (nr. 240.665) en van 23 oktober 2018 (nr. 242.751) en van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 29 augustus 2017 (nr. RvVb/S/1617/1198) en meerbepaald de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad van State aangaande de plan-MER en het alternatievenonderzoek in hoofde van de plannende overheid.

Blog Publius Nieuws
Tags Guillaume Vyncke, Steve Ronse
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/08/2019

Een verbod op kleinhandel in een RUP kan niet zomaar!

In ons blogbericht van 19 februari 2018 lichtten we het arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 2018 toewaarbij het Hof bevestigde dat detailhandel wordt gevat door de Europese Dienstenrichtlijn. Verder luidde het in het arrest onder meer dat assortimentsbeperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn, maar dat deze moeten voldoen aan de eisen van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn dat in zoveel woorden stelt dat beperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn mits zij (a) geen discriminatie inhouden; (b) noodzakelijk zijn om redenen van algemeen belang en (c) de beperkingen niet verder gaan dan nodig om het nagestreefde doel - in casu de bescherming van het stedelijk milieu - te bereiken (= evenredigheidstoets).

De Raad voor Vergunningsbetwistingen erkent nu ook deze rechtspraak en toetste onlangs, in een arrest van 2 juli 2019 (RvVb 2 juli 2019, nr. RvVb-A-1819-1167), ex artikel 159 GW een ruimtelijk uitvoeringsplan aan de bepalingen van de Europese Dienstenrichtlijn.

Het arrest luidde:

"Op basis van het tweede middel dient de Raad te onderzoeken of het ruimtelijk uitvoeringsplan op grond van artikel 159 Grondwet buiten beschouwing moet worden gelaten aangezien dit ruimtelijk uitvoeringsplan de toets van artikel 15, derde lid Dienstenrichtlijn niet doorstaat. Op grond van artikel 159 Grondwet is de Raad bevoegd om onrechtstreeks wettigheidsaspecten van een ruimtelijk uitvoeringsplan te beoordelen.

Uit de hierboven vermelde overwegingen volgt dat artikel 9 van het ruimtelijk uitvoeringsplan beperkingen inzake detailhandel vastlegt; deze beperkingen dienen getoetst te worden aan de Dienstenrichtlijn. Krachtens artikel 15, derde lid Dienstenrichtlijn dienen dergelijke territoriale beperkingen cumulatief te voldoen aan volgende drie criteria :

“… 3. De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel;
b) noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
c) evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel
kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. …”

De opgelegde beperkingen dienen samengevat noodzakelijk, niet-discriminatoir en evenredig te zijn. 

[...]

De Raad dient in het licht van voorgaande vaststellingen evenwel nog na te gaan of het verbod op kleinhandel, gegeven het nagestreefde doel, zowel in feite als in rechte, evenredig kan worden genoemd. Het verbod op kleinhandel in residentieel gebied moet geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken, niet verder gaan dan nodig is om dat doel te bereiken en het doel mag niet met andere, minder beperkende maatregelen gerealiseerd kunnen worden.

In het ruimtelijk uitvoeringsplan zelf kan geen verantwoording gevonden worden aangaande de evenredigheid van het verbod op kleinhandel. In de toelichting bij het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt op geen enkele wijze gemotiveerd in hoeverre het uitdrukkelijke verbod op detailhandel, bestaande uit kleinhandel, waaronder de verkoop van (kinder)schoenen, en in tegenstelling tot autonome kantoren en diensten, geschikt is om de baanontwikkeling langs de Nieuwestraat tegen te gaan. Evenmin blijkt hieruit waarom deze maatregel in deze concrete omstandigheden nodig dan wel het meest geschikt is. De mogelijkheid bestaat immers dat door een andere maatregel/maatregelen eenzelfde doel bereikt kan worden.

Het komt de plannende overheid toe om te motiveren op welke wijze de territoriale beperking de evenredigheidstoets doorstaat. Bij gebreke hieraan is het voor de Raad niet mogelijk na te gaan in hoeverre het verbod op detailhandel de toets van de evenredigheid doorstaat." 
[eigen aanduidingen]

De Raad voor Vergunningsbetwistingen stelt bijgevolg dat een beperking van (een assortiment van) kleinhandel wel mogelijk is, maar stelt wel dat het voldaan zijn aan de voorwaarden van de dienstenrichtlijn afdoende moet gemotiveerd worden in het RUP zelf. 

Het arrest vindt u hier.

Hierover is bijgevolg het laatste woord nog niet gezegd...

06/08/2019

Dwangsom in procedures bij uiterst dringende noodzakelijkheid voor de Raad van State

Met arrest nr. 245.230 van 24 juli 2019 schorst de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid een tweede maal een sluitingsbeslissing van het FAVV, gebaseerd op eenzelfde ministeriële beslissing. Op verbeurte van een dwangsom van 100.000€ per dag vanaf de dag volgend op de betekening per fax van het arrest, wordt aan het FAVV bij wege van voorlopige maatregel verbod opgelegd om op grond van de vaststellingen gedaan bij de controle van 12 juli 2019 een nieuwe beslissing te nemen die ertoe strekt dat verzoekende partij haar inrichting moet sluiten.

De Raad van State stelt dat ‘kan worden gevreesd, gelet op de houding die de verwerende partij heeft aangenomen na het schorsingsarrest nr. 245.214, dat die partij een nieuwe beslissing zou nemen met dezelfde strekking als de thans en de eerder bestredene, uitgaande van de vaststellingen gedaan tijdens de controle van 12 juli 2019.Deze vrees wordt gevoed door het gegeven dat vrijwel onmiddellijk na het meermaals vermeld schorsingsarrest dd. 19 juli 2019 de verwerende partij terug op grond van dezelfde feitelijke vaststellingen vervat in de beslissing van 12 juli 2019 tot een maatregel met dezelfde gevolgen is overgegaan, weliswaar mits het nemen van een formeel ietwat aangevulde motivering, welke in rechte, prima facie, niet afdoende is gebleken'. Uit onderhavig arrest, samen gelezen met het arrest nr. 245.214, moet worden afgeleid dat niet dient te worden gevreesd ‘voor een reëel en ernstig gevaar voor de gezondheid van de klanten’, louter op basis van de op 12 juli 2019 door verwerende partij vastgestelde inbreuken.Rekeninghoudend met deze vaststelling, evenals met de vaststelling dat uit beide betrokken schorsingsarresten blijkt dat de prima facie vastgestelde onwettigheid verder reikt dan een puur gebrek in de formele motivering, en ook prima facie een schending van het redelijkheidsbeginsel behelst en teneinde een opeenvolging van nieuwe dergelijke beslissing met telkens een andere motivering te voorkomen, bestaat er aanleiding toe om de dwangmaatregel op te leggen die de verwerende partij oplegt de beslissing van 9 mei 2019 nogmaals te implementeren door een sluiting van de inrichting van de verzoekende partij op te leggen op grond van de op 12 juli 2019 vastgestelde en weerhouden inbreuken op het vlak van de etikettering’.

Ref. Pub507874

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Dwangsom, FAVV, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
01/08/2019

Raad voor Vergunningsbetwistingen onbevoegd om de vernietiging van de onteigeningsmachtiging uit te spreken

Zo luidt het alvast in het arrest nr. RvVb-A-1819-1253 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. 

In bovenvermelde onteigeningszaak richtten verzoekende partijen hun vernietigingsberoep niet enkel tegen het definitieve onteigeningsbesluit, maar ook tegen de onteigeningsmachtiging. 

Verwerende partij en eerste tussenkomende partij betwistten de ontvankelijkheid van het beroep in de mate de onteigeningsmachtiging werd aangevochten. Zo argumenteerde eerste tussenkomende partij, bijgestaan door Publius, onder meer dat (a) artikel 43 Onteigeningsdecreet enkel het definitief onteigeningsbesluit als aanvechtbare rechtshandeling aanmerkt en (b) de onteigeningsmachtiging een louter voorbereidende rechtshandeling is.

De Raad aanvaardde de exceptie van verwerende en eerste tussenkomende partij:

'1.
Conform artikel 43 van het decreet van het Vlaams Onteigeningsdecreet kan ieder definitief onteigeningsbesluit door de belanghebbenden bestreden worden bij de Raad, conform de regels bepaald bij of krachtens het DBRC-decreet.

Het definitief onteigeningsbesluit heeft, gelet op zijn samenstellende delen conform artikel 28, §2 Vlaams Onteigeningsdecreet, het karakter van een eindbeslissing in een complexe rechtshandeling. In het voorliggende geval vorderen de verzoekende partijen rechtstreeks de vernietiging van het onteigeningsmachtigingsbesluit, deel van het definitief onteigeningsbesluit conform artikel 28, §2, 5° Vlaams Onteigeningsdecreet.

3.
Met het besluit van 24 april 2018 in kwestie machtigt de gemeenteraad van de eerste tussenkomende partij de verwerende partij om een definitief onteigeningsbesluit aan te nemen en de eigenaren en houders van zakelijke rechten op de percelen in kwestie desgevallend in onteigening te dagvaarden.

Het machtigingsbesluit heeft, ten aanzien van de verzoekende partijen, het karakter van een louter voorbereidende rechtshandeling. Op grond van het machtigingsbesluit zelf staat de voorgenomen en met het voorlopig onteigeningsbesluit kenbaar gemaakte onteigening immers nog niet vast.

Artikel 28, §1 Onteigeningsdecreet verankert in die zin het discretionair handelen van de verwerende partij om al dan niet tot het aannemen van een definitief onteigeningsbesluit over te gaan.

De Raad is, gelet op wat voorafgaat, zonder rechtsmacht om zich uit te spreken over het verzoek tot vernietiging gericht tegen het onteigeningsmachtigingsbesluit van 24 april 2018.

4.
Wat voorafgaat belet evenwel niet dat, voor zover de middelen in die zin ontwikkeld worden, de onwettigheid van het machtigingsbesluit, de onwettigheid van het definitief onteigeningsbesluit voor gevolg kan hebben. Of het voor de Raad bestreden definitief onteigeningsbesluit desgevallend in die zin onwettig is, raakt de grond van de zaak.

De exceptie is in de aangegeven mate gegrond.'

Niettegenstaande de onteigeningsmachtiging alsdusdanig niet aanvechtbaar is bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen, merkte de Raad voor Vergunningsbetwistingen wel op dat een wettigheidsexceptie tegen de onteigeningsmachtiging kan worden ingeroepen, welke op haar beurt de onwettigheid van het definitief onteigeningsbesluit tot gevolg kan hebben. 


PUB507434-2

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Leandra Decuyper, Onteigeningen, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags