24/07/2019

De Raad voor Vergunningsbetwistingen verliest haar rechtsmacht bij het inleiden van de gerechtelijke onteigeningsprocedure

In de zaken met rolnummer 1718-RvVb-720-A, en 1718-RvVb-0746-A vroeg de Raad voor Vergunningsbetwistingen partijen om standpunt in te nemen over de gevolgen van het inleiden van een gerechtelijke onteigeningsprocedure voor de bevoegde vrederechter op de rechtsmacht van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. 

De visies van partijen waren verdeeld. Verzoekende partijen meenden dat de dagvaarding in onteigening geen impact had op de bevoegdheid van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, nu het Onteigeningsdecreet nergens een voorschrift in die zin bevat, maar integendeel zowel de Raad voor Vergunningsbetwistingen als de burgerlijke rechter als onteigeningsrechter worden aangewezen. Verwerende en tussenkomende partijen verwezen op hun beurt naar de memorie van toelichting bij het Onteigeningsdecreet, op het risico van tegenstrijdige uitspraken en op de exclusieve bevoegdheid van de burgerlijke rechter over subjectieve rechten om te argumenteren dat de Raad voor Vergunningsbetwistingen zonder rechtsmacht is van zodra de gerechtelijke onteigeningsprocedure bij de vrederechter wordt ingeleid. 

In de arresten nr. RvVb-A-1819-1252 en RvVb-A-1819-1251 verklaart de Raad zich na dagvaarding voor de bevoegde vrederechter zonder rechtsmacht:

'De wil van de decreetgever om de rechtsmacht van de Raad gelijklopend te regelen met deze van de Raad van State onder de federale onteigeningswetgeving is duidelijk. Het ware wellicht wenselijk geweest dat de decreetgever de rechtsmacht van de Raad decretaal uitdrukkelijk in de vermelde zin nader zou aflijnen. Niettemin kan de Raad niet omheen de duidelijke invulling die de decreetgever aan zijn rechtsmacht wenst te geven zoals dit, op verzoek van de Raad van State, afdeling wetgeving, werd verduidelijkt in de memorie van toelichting.

(...)

Uit het Onteigeningsdecreet vloeit aldus voort dat de Raad niet langer bevoegd is om zich uit te spreken ten aanzien van het verzoek tot vernietiging gericht tegen een definitief onteigeningsbesluit, telkens op grond van dat besluit een dagvaarding in onteigening voorligt en de verzoekende partij de gedaagde is.

In die gevallen geniet de verzoekende partij de rechtsbescherming geboden door de burgerlijke onteigeningsrechter die zich, in eerste aanleg zelfs ambtshalve, en in graad van beroep voor zover daartoe ontvankelijk gevat, moet uitspreken over de wettigheid van het definitief onteigeningsbesluit, desgevallend met in begrip van het voorafgaand onteigeningsmachtigingsbesluit.

4.
Het feit dat de verzoekende partij in onteigening gedagvaard werd voor het bevoegde vredegerecht heeft aldus voor gevolg dat de Raad niet langer over de rechtsmacht beschikt om zich, op basis van het voorliggende verzoekschrift, uit te spreken over de wettigheid van het bestreden definitief onteigeningsbesluit.'

Wij zijn alvast benieuwd of tegen deze arresten een cassatieberoep bij de Raad van State volgt. 

PUB507434-1/4

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Leandra Decuyper, Onteigeningen, Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/11/2019

Raad van State bevestigt: planologische regularisatie door RUP is mogelijk

Zo staat het alvast in een arrest nr. 245.859 van 22 oktober 2019:

'Verder dient opgemerkt dat een ‘planologische regularisatie’ middels een gemeentelijk RUP niet a priori onwettig is, op voorwaarde dat een deugdelijke ruimtelijke afweging overeenkomstig artikel 1.1.4. VCRO aan het plan ten grondslag ligt’.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, RUP
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/11/2019

Raad van State bevestigt: planologische regularisatie door RUP is mogelijk

Zo staat het alvast in een arrest nr. 245.859 van 22 oktober 2019:

'Verder dient opgemerkt dat een ‘planologische regularisatie’ middels een gemeentelijk RUP niet a priori onwettig is, op voorwaarde dat een deugdelijke ruimtelijke afweging overeenkomstig artikel 1.1.4. VCRO aan het plan ten grondslag ligt’.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, RUP
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/11/2019

Wat als het beroep tegen een omgevingsvergunning enkel geldgewin beoogt?

In een heel interessant arrest van het hof van beroep te Antwerpen wordt de vordering tot betaling van een bemiddelingsvergoeding, met name voor het bereiken van een financieel zwaarwegende  'dading' tussen de vergunningsaanvrager van een retailcomplex en een nabuur die de Raad voor Vergunningsbetwistingen had gevat, verworpen omdat er sprake is van misbruik van beroepsrecht:

De bedoeling van de beroepsprocedure tegen de vergunning was niet dat de vergunning zou ingetrokken worden en had derhalve geen stedenbouwkundige finaliteit. De beroepsprocedure had daarentegen louter een financieel doel waarbij  [vennootschap S.] enkel optrad om de verschillende hoedanigheden van de heer B., meerbepaald de werkelijke initiatiefnemer van de beroepsprocedure en nadien tevens bemiddelaar waarbij hij daadwerkelijk aan zichzelf een rijkelijke vergoeding toekende en de woning verkocht werd aan een niet-marktconforme prijs en tevens onderhandelings- en procedurekosten betaald werden, te verbergen zodat er sprake is van misbruik van het beroepsrecht.

(…)

De doorslaggevende reden van de beroepsprocedure was derhalve om ‘de bemiddelaar’ te verrijken, onder andere door de onredelijk hoge bemiddelingsvergoeding die in werkelijkheid aan ‘de bemiddelaar’ zou moeten betaald worden, hetgeen ingaat tegen de openbare orde en de goede zeden, te meer daar ‘de bemiddelaar’, een ‘voormalig’ gemeenteraadslid is, die persoonlijk failliet is verklaard en geen bemiddelaar is. Vooraleer ‘de ontwikkelaar’ overging tot uitvoering van de kaderovereenkomst, heeft zij reeds bij een gerechtsdeurwaarder verklaard dat zij onder druk gezet werd, dat zij meende het slachtoffer te zijn van chantage en enkel meewerkte om de stedenbouwkundige vergunning veilig te stellen. (…) heeft duidelijk ongeoorloofd gehandeld.

Gelet op het voorgaande dient de bemiddelingsovereenkomst te worden nietig verklaard. Het hof dient immers geen verbintenissen te honoreren die voortvloeien uit een overeenkomst die strijdig is met de openbare orde'.

Referentie: Antwerpen, 22 oktober 2019, nr. 2019/9489 (ng) – PUB507121-3.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Omgevingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/11/2019

(Stedenbouwkundige) Herstelvordering door het Openbaar Ministerie

Sinds 1 maart 2018 heeft het openbaar ministerie als bevoegde overheid de mogelijkheid om een stedenbouwkundige herstelvordering in te stellen, ook als hersteleisende overheden als de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur, de gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur of de burgemeester in naam van de gemeente zelf geen herstelvordering hebben ingesteld.

In een zaak onderworpen aan het hof van beroep te Gent kwam de decreetswijziging tot stand lopende de beroepsprocedure.

Het hof van beroep is in een arrest van 25 januari 2019 soepel voor wat betreft de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie in zijn vervolgberoep geen specifieke beroepsgrief heeft geformuleerd:

‘De herstelvordering die wordt ingesteld door een bevoegde overheid, in casu het Openbaar Ministerie, behoort tot de strafvordering in de ruime zin, maar is niettemin als een bijzondere vorm van teruggave een maatregel van burgerlijke aard. Aldus was de herstelvordering begrepen in de grief ‘vervolgberoep’ en behoort de herstelvordering die het Openbaar Ministerie voor het hof instelde tot de Saisine van het hof’.

Opmerkelijk is dit initiatief van het hof van beroep:

‘Het Openbaar Ministerie heeft geen vordering tot verbeuring van een dwangsom ingesteld, voor het geval de herstelmaatregel niet vrijwillig zou worden uitgevoerd. Het hof kan dit niet ambtshalve voorzien, doch slechts op vordering van c.q. het Openbaar Ministerie.

Overeenkomstig artikel 6.3.4. Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bepaalt het hof dat als de bevolen bouw- of aanpassingswerken niet binnen de hierna gestelde termijn worden uitgevoerd, de stedenbouwkundige inspecteur en de burgemeester ambtshalve in de uitvoering ervan kunnen voorzien in de plaats en op kosten van de veroordeelde beklaagden’.

Referentie: Gent (10e kamer), 25 januari 2019, nr. C/111/2019 (PUB508251).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Dwangsom, Handhaving stedenbouw, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/10/2019

Publius zoekt versterking!

Op dinsdag 12 november 2019 zal Publius aanwezig zijn op de jobbeurs van het VRG Gent en de Faculteit Rechtsgeleerdheid. Publius gaat ook dit jaar op zoek naar rechtenstudenten met een uitgesproken interesse voor het publiek en administratief recht.

Op zoek naar een zomerstage of een baliestage? Kom dan zeker bij ons langs!

Blog Publius Nieuws
Tags Jobs
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags