29/11/2018

Worden lopende vernietigingsprocedures geïmpacteerd door de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten?

Op  1 augustus 2018 is de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten in werking getreden. Er verandert op het eerste gezicht weinig aan de vergunningsplicht voor grootschalige winkels. Niemand mag zonder voorafgaande omgevingsvergunning kleinhandelsactiviteiten uitvoeren in een kleinhandelsbedrijf of handelsgeheel met een nettohandelsoppervlakte van meer dan 400 m² in een nieuw op te richten, niet van vergunning vrijgestelde constructie, dan wel in een bestaand, vergund of hoofdzakelijk vergund gebouw. Nochtans brengt de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviten een sterk verminderde vergunningsplicht met zich mee en dit lijkt ook zijn gevolgen te (kunnen) hebben voor lopende vernietigingsprocedures bij de Raad van State

Alvorens dieper ingegaan wordt op de vraag of een concurrerende handelszaak zijn belang kan verliezen bij lopende vernietigingsprocedures bij de Raad van State gelet op de verminderde vergunningsplicht, alsook om onderstaand arrest beter te begrijpen, wordt kort de (impact van de) categorisering van kleinhandelsactiviteiten en het verdwijnen van de meldingsplicht bij een beperkte uitbreiding van de netto handelsoppervlakte toegelicht. 

Over de categorisering van kleinhandelsactiviteiten.
Sinds de inwerkingtreding van de omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten op 1 augustus 2018 zijn alle bestaande, niet-vervallen sociaal-economische vergunningen van rechtswege geherkwalificeerd tot een omgevingsvergunning voor kleinhandelsactiviteiten van een welbepaalde categorie.

Artikel 3 Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid verdeelt de kleinhandelsactiviteiten in 4 categorieën:

  • eerste categorie: verkoop van voeding
  • tweede categorie: verkoop van goederen voor persoonsuitrusting
  • derde categorie: verkoop van planten, bloemen en goederen voor land- en tuinbouw
  • vierde categorie: verkoop van andere producten

Enkel een belangrijke wijziging van categorieën van kleinhandelsactiviteiten is op vandaag nog vergunningsplichtig. Onder een belangrijke wijziging wordt begrepen elke wijziging waarbij een categorie van kleinhandelsactiviteiten het vergunde aantal vierkante meter netto handelsoppervlakte overschrijdt met ofwel 10% van de totale vergunde netto handelsoppervlakte ofwel 300 m². Een wijziging in de categorieën van kleinhandelsactiviteiten onder deze drempels is niet vergunningsplichtig.

Deze nieuwe regelgeving staat in schril contract met de vroegere praktijk onder de Handelsvestigingswet. Immers was voor 1 augustus 2018 elke belangrijke assortimentswijziging - en niet categoriewijziging - aan de vergunningsplicht onderworpen.

Over het verdwijnen van de meldingsplicht bij een beperkte uitbreiding van de netto handelsoppervlakte.
Ten tijde van de oudeHandelsvestigingswet kon een vergunde handelsvestiging zonder bijkomende vergunning uitbreiden mits deze uitbreiding niet meer bedroeg dan dan 20 % van de nettohandelsoppervlakte, met een maximumplafond van 300 m² netto handelsoppervlakte. Het uitbreidingsproject diende wél gemeld te worden aan het college van burgemeester en schepenen waar het uitbreidingsproject plaatsvond en dit middels een voorafgaande verklaring.

Het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid, dat wat betreft het vergunningenbeleid op 1 augustus ll. in werking is getreden, behoudt de van de vergunning vrijgestelde beperkte uitbreiding, maar schrapt de meldingsplicht. Met andere woorden, sinds 1 augustus 2018 dient een uitbreiding van de netto handelsoppervlakte van 20%, met evenwel een maximum van 300 m², per handelsvestiging- of geheel niet langer gemeld te worden bij het college van burgemeester en schepenen van de stad waar het uitbreidingsproject plaatsvindt.

Let wel, in beide gevallen - zowel onder de Handelsvestigingswet als nu onder het Decreet Integraal Handelsvestigingsbeleid - kan slechts eenmalig gebruik gemaakt worden van de van de vergunning vrijgestelde beperkte uitbreiding. In het bijzonder wat een handelsgeheel betreft, betekent dit dat van zodra op het niveau van het handelsgeheel deze 20% of 300 m² uitgeput is door één of meerdere individuele handelsvestigingen, geen andere handelsvestiging hiervan nog kan profiteren.
 
Verliest een concurrent haar belang bij een vernietigingsberoep indien de assortimentswijziging sinds 1 augustus 2018 niet langer vergunningsplichtig is?
De Raad van State lijkt dit in haar arrest nr. 242.417 van 25 september 2018 op het eerste zicht te suggereren van wél, zij het dat zij expliciet verwijst naar het standpunt van verzoekende partij ter zitting. Zij overwoog aangaande het actueel belang van verzoekende partij, die als concurrerende handelszaak beroep aantekende tegen een vergunde assortimentswijziging, het volgende:

'4.1. De tussenkomende partij werpt in haar laatste memorie de onontvankelijkheid van het beroep wegens gemis aan belang op. Zij steunt haar exceptie op het gegeven dat inmiddels het decreet van 15 juli 2016 „betreffende het integraal handelsvestingsbeleid‟ in werking is getreden. Zij betoogt dat artikel 3 van dit decreet thans in vier categorieën van kleinhandelsactiviteiten voorziet en dat het oude assortiment (meubelen) en het nieuwe assortiment (sportgoederen) beide tot de vierde categorie behoren, waardoor de assortimentswijziging niet langer vergunningsplichtig is. Evenmin is er onder het nieuwe decreet een vergunning nodig voor de beperkte uitbreiding van de netto handelsoppervlakte tot 20 % of maximum 300 m².

4.2. De verzoekende partij repliceert in haar laatste memorie dat het feit dat de tussenkomende partij geen vergunning zou nodig hebben niet ter zake doet. Integendeel zou dit volgens haar betekenen dat “een socio-economische vergunning zou volstaan om de exploitatie van het concurrerend bedrijf mogelijk te maken ten nadele van de belangen van [v]erzoekster wat het belang van [v]erzoekster alleszins niet zou verkleinen”. “Anderzijds” acht zij “de stelling van [de tussenkomende partij] onjuist nu duidelijk [is] gebleken dat [de tussenkomende partij] wel degelijk een stedenbouwkundige vergunning nodig heeft voor de door haar noodzakelijke parking”.

4.3. Het voormelde verweer in de laatste memorie van de verzoekende partij gaat ervan uit dat een socio-economische vergunning zou volstaan en valt niet te begrijpen. Ter terechtzitting nader ondervraagd over haar standpunt aangaande de onder randnummer 4.1 vermelde exceptie, antwoordt de verzoekende partij dat voor de kwestieuze aanvraag inderdaad “geen socioeconomische vergunning nodig is”.

4.4. In het licht van het voormelde ter terechtzitting ingenomen standpunt, komt de exceptie gegrond voor en ontbeert de verzoekende partij het vereiste actueel belang bij haar beroep.'

De Raad van State besluit aldus dat verzoekende partij niet langer over het rechtens vereiste actueel belang beschikt, nu zij ter zitting erkende dat voor het aangevraagde - zijnde de assortimentswijziging en een uitbreiding van de netto handelsoppervlakte - niet langer een vergunning noodzakelijk was. 

Bedenking bij het arrest.
De vraag die men zich kan stellen is of verzoekende partij gelijk had om zichzelf zonder belang te bestempelen wetende dat er benevens de niet langer verplichte assortimentswijziging ook een uitbreiding van de netto handelsoppervlakte met 269 m² (uitbreiding van het handelsgeheel van 8.147 m² tot 8.416 m²)? Wij denken dat het niet evident was voor verzoekende partij om nog een belang te doen gelden, nu zij als concurrerende handelszaak ons inziens niet ernstig kon beweren dat er significante commerciële impact in haar hoofde zou bestaan bij de beperkte uitbreiding van de 975 m² naar 1244 m²,  te meer nu de vergunningshouder ook zonder een vergunningsaanvraag hoe dan ook en zonder vergunningsaanvraag gerechtigd is om uit te breiden naar 1275 m² (= beperkte uitbreiding).  

Referentie: PUB505994-1
 

17/01/2019

Herziening of opheffing van stedenbouwkundige voorschriften in APA’s, BPA’s en gemeentelijke RUP’s weldra mogelijk

Met de codextrein voerde de decreetgever een soepele procedure in om verouderde of te gedetailleerde voorschriften van APA’s, BPA’s en gemeentelijke RUP’s te herzien of op te heffen (artikel 7.4.4/1 VCRO). Het doel daarvan is om verschillende vormen van ruimtelijke rendementsverhoging te bevorderen (bv. intensivering van het ruimtegebruik, verweving van verschillende functies, hergebruik van constructies en tijdelijk toelaten van ruimtegebruik) en de mogelijkheden te vergroten voor energieprestatiebevorderende werken.

Een herziening of opheffing kan alleen betrekking hebben op inrichtingsvoorschriften en kan geen wijziging van de (hoofd)bestemming van het gebied tot gevolg hebben.

Het initiatiefrecht ligt bij het College van Burgemeester en Schepenen dat vooraf het advies inwint van de gemeentelijke omgevingsambtenaar. De procedure tot herziening of opheffing omvat een openbaar onderzoek, adviesronde en eventueel een plan-m.e.r. of plan-m.e.r.-screening. De uiteindelijke beslissing ligt in handen van de gemeenteraad.

De Vlaamse Regering heeft inmiddels het nodige uitvoeringsbesluit goedgekeurd.

Het is nu wachten op de publicatie hiervan in het Belgisch Staatsblad.

U kan het besluit alvast hier raadplegen.

Gepost door Celine Van De Velde

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Celine Van De Velde, Merlijn De Rechter, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/01/2019

Vordering tot schadevergoeding wegens tekortaanbod in Nederlandstalig basisonderwijs in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest verworpen

Vier ouders en een belangenvereniging vorderden schadevergoeding van respectievelijk de Belgische Staat, de Vlaamse Gemeenschap, het Gemeenschapsonderwijs en de Vlaamse Gemeenschzapscommissie omdat er onvoldoende aanbod beschikbaar zou zijn in het Nederlandstalige basisonderwijs in het Brusselse Gewest. Daardoor zouden de ouders hun kinderen niet of niet naar een dichtbijzijnde Nederlandstalige onderwijsinstelling kunnen sturen.

De rechtbank oordeelt dat de belangenvereniging geen eigen schade - anders dan deze van de ouders - bewijzen wegens miskenning van het opgeworpen 'recht op inschrijving in de school naar keuze van de ouders'.

De vordering tegen de Belgische Staat wordt verworpen omdat deze - behoudens irrelevante uitzonderingen zoals de duur van de leerplicht - niet bevoegd is inzake het basisonderwijs.

Wat de vordering tegen de Vlaamse Gemeenschap betreft, ongetwijfeld bevoegd, overweegt de rechtbank dat  het Kinderrechtenverdrag geen absoluuut inschrijvingsrecht in basisscholen garandeert, maar dat er hoogstens een inspanningsverbintenis geldt.  Ook artikel 24 Grondwet garandeert geen recht op onderwijs naar keuze.Wat de inspanningsverbintenis betreft is de rechtbank de mening toegedaan dat geen fout bewezen is in achtgenomen  budgettiare overwegingen en de complexiteit omdat ook het Franstalig onderwijs in het Brussels Gewest actief is. Het kan niet de bedoeling zijn om de infrastructuur constant aan te passen, rekening houdende met de momentane wensen van de ouders. Verder wijst de rechtbank met veel cijfermateriaal op de aanzienlijke inspanningen van de Vlaamse Gemeenschzap inzake het Nederlandstalig basisonderwijs in het Brussels Gewest, niettegenstaande zij ook met capaciteitsproblemen andere centrumsteden wordt geconfronteerd. Voor het Brussels basisonderwijs wordt 19% van alle capaciteitsbudgetten uitgetrokken, alhoewel er slechts 4,4% van de schoolpopulatie wordt opgevangen. Nog wijst de rechtbank erop dat de Vlaamse Gemeenschap pas kan investeren nadat deene of andere  inrichtende macht daadwerkelijk heeft beslist haar capaciteit uit te willen breiden.

Wat GO! betreft, die zowel als centrale inrichtende macht wordt aangesproken als als scholengroep, herhaalt de rechtbank dat er geen resultaatsverbintenis inzake capaciteit geldt. Er wordt verder gewezen op de budgettaire beperkingen van het Gemeenscjhapsonderwijs en op haar initiatieven om middelen te verzamelen via verkoop van niet langer dienstige infrastructuur en via alternatieve financiering (DBFM). De rechtbank beslist dat de beschikbare middelen door GO! wel degelijk worden aangewend voor capaciteitsuitbreiding. Er wordt gewezen op de aanzienlijke capaciteitsaangroei van de laatste jaren. De rechtbank wijst er tenslotte op dat geen van de ouders kan bewijzen geprobeerd te hebben hun kinderen in één van de onderwijsinstellingen van het GO! te hebben ingeschreven.

Ook de vordering tegen de Vlaamse Gemeenschapscommissie wordt verworpen. Zij is te beschouwen als de opvolger van het proivinciaal onderwijs en heeft als gesubsidieerde overheid van het officieel onderwijs geen verplichting basisonderwijs aan te bieden buiten haar 'specialiteit' van het bijzonder onderwijs. Weliswaar is er een schijnbare parallelle bevoegdheid in onderwijsaangelegenheden (artikel 64BWHI) maar die wordt begrensd door de toezichtsbevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap.. Waar VGC wordt aangesproken als facilitator, wordt gewezen op de bijzondere inspanningen van de Vlaamse Gemeenschapscommissie om het capaciteitsprobleem aan te pakken.

Ref. Brussel 3 januari 2019, nr. 2019/25, ng.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Onderwijsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/01/2019

Besluit over de handhaving van het integraal handelsvestigingsbeleid gepubliceerd in Belgisch Staatsblad

Vandaag werd het besluit van de Vlaamse regering van 26 oktober 2018 houdende diverse bepalingen over de handhaving van het integraal handelsvestigingsbeleid gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. 

Het besluit bepaalt onder meer hoe de aanwijzing van gewestelijke toezichthouders gebeurd, legt de basisbedragen van de exclusieve bestuurlijke geldboete vast en stelt de beroepsprocedure tegen de opgelegde bestuurlijke maatregelen vast. 

Merkwaardig is dat het besluit niettegenstaande de publicatie op heden in werking is getreden op 1 november 2018.

U vindt de integrale tekst van het besluit hier

02/01/2019

Dagvaarding uitgaande van natuurlijke persoon moet vanaf 1 februari 2019 diens rijksregisternummer melden

In ons vorig blogbericht hebben we u in kennis gesteld van  de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.

Deze wet verhoogt niet enkel de rolrechten voor de gewone rechtbanken, maar legt ook een nieuwe verplichte melding op in de gedinginleidende akten voor de gedwoine rechtbanken (veelal een dagvaarding). Daartoe wordt onder meer artikel 702 Ger.W. aangepast dat vanaf 1 februari 2019 als volgt zal luiden:

'Behalve de vermeldingen bepaald in artikel 43, bevat het exploot van dagvaarding, gvaarding uitgaande van natuurlijke persoon moet diens rijksregisternummer melden, de volgende opgaven:
1° de naam, de voornaam en de woonplaats van de eiser en, in voorkomend geval, zijn rijksregister- of ondernemingsnummer ;
2° de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde;
3° het voorwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
5° de plaats, de dag en het uur van de terechtzitting'.

De nieuwigheid zit hem erin dat natuurlijke personen thans hun rijksregisternummer moeten melden in de gedinginleidende akte.  Blijkbaar is het de bedoeling later de inning van de rolrechten te vergemkkelijken.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/01/2019

Nieuw jaar, hogere rolrechten voor gewone rechtbanken

Op 20 december 2018 werd de wet van 14 oktober 2018 tot wijziging van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten teneinde de griffierechten te hervormen gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De rolrechten werden verhoogd en vastgelegd als volgt:

- in de vredegerechten en de politierechtbanken, een recht van 50 euro (in plaats van 40 euro);
- in de rechtbanken van eerste aanleg en de rechtbanken van koophandel, een recht van 165 euro (in plaats van 100 euro);
- in de hoven van beroep een recht van 400 euro (in plaats van 210 euro);
- in het Hof van Cassatie een recht van 650 euro (in plaats van 375 euro).

De griffierechten dienen niet langer voorgeschoten te worden bij het begin van de procedure door de verzoekende partij, maar deze vallen nu onmiddellijk ten laste van de veroordeelde partij en worden geïnd op het einde van de procedure. De griffierechten zullen ingevorderd worden door de FOD Financiën, nadat de rechter in de zaak zijn eindbeslissing heeft genomen.

De nieuwe wet treedt in werking treden op 1 februari 2019, zijnde de eerste dag van de tweede maand die volgt op de bekendmaking ervan in het BS. De wet zal aldus van toepassing zijn op de zaken waarvan de inschrijving wordt verzocht vanaf 1 februari 2019.

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Gerechtskosten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht