25/07/2011

Vlaanderen zet eerste stap naar unieke omgevingsvergunning

Op 22 juli 2011 keurde de Vlaamse regering een startnota goed "die de principes vastlegt voor de omgevingsvergunning. Dit is een eerste stap naar de langverwachte unieke vergunning, het samensmelten van de stedenbouwkundige en de milieuvergunning. De omgevingsvergunning geeft verder uitvoering aan de conceptnota ‘Versnellen van investeringen’."

De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening voorziet reeds in een summiere vorm van 'eenheidsprocedure' door een uniek loket in te stellen voor de milieu- en stedenbouwkundige vergunning. Dit is echter een facultatief 'uniek loket'. Eenmaal de vergunningsaanvraag is ingediend worden de respectievelijke procedures grotendeels apart doorlopen. Van het huidige uniek loket kan enkel gebruik gemaakt worden indien dezelfde overheid bevoegd is voor het afleveren van de milieu- en stedenbouwkundige vergunning.

De Vlaamse regering gaat nu voor een verregaandere integratie. Er is sprake van één loket, één openbaar onderzoek, één adviesronde en één vergunning die wordt afgeleverd door één bevoegd niveau.
Er wordt een omgevingsvergunningscommissie opgericht die alle bevoegde administratief samenbrengt en een "syntheseadvies zonder tegenstrijdigheden" moet maken.
De bevoegde overheid wordt bepaald door de "omgavng, mogelijke effecten, aard en ligging" van het project. De gemeenten zullen bevoegd zijn voor het gros van de aanvragen. Projecten met een grote milieu-impact (MER-plichtig, SEVESO-inrichting, ...) worden vergund door de provincies of door de ontvoogde gemeenten. Strategische projecten worden vergund door het gewest. De Vlaamse Regering zal een lijst opmaken van projecten die een bovenlokale afweging vergen.

Daarnaast keurde de Vlaamse regering enkele principes over de integratie van de MER en de versnelling van investeringsprojecten goed.

De goedgekeurde nota zal verder worden uitgewerkt met onder andere VVSG. Tegen het einde van 2011 moet het ontwerp van decreet klaar zijn. Belangrijke vragen zijn bijvoorbeeld hoe het tijdelijke karakter van de milieuvergunning zal worden verzoend met de niet in tijd beperkte stedenbouwkundige vergunning.

Referentie:

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Omgevingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
20/07/2011

Nieuwe beroepstermijn voor Raad voor Vergunningsbetwistingen

In een arrest van 27 januari 2011 (8/2011) heeft het Grondwettelijk Hof uitspraak gedaan over het vernietigingsberoep dat ingestld werd tegen het decreet van het Vlaamse Gewest van 27 maart 2009 tot aanpassing en aanvulling van het ruimtelijke plannings-, vergunningen- en handhavingsbeleid. Dit decreet voerde de Vlaamse Codex voor Ruimtelijke ordening in. Het Grondwettelijk Hof vernietigde de termijnregeling om beroep in te stellen bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Deze termijn bedroeg 30 dagen en ging in beginsel in vanaf de aanplakking. Volgens het Hof verhinderde een dergelijke termijn het recht op toegang tot de rechter. De decreetgever kreeg tot 31 juli 2011 de tijd om aan deze ongrondwettigheid te remediëren.

Met artikel 5 van het Decreet van 8 juli 2011 tot wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kwam het Vlaams Parlement aan deze verplichting toe. De nieuwe beroepstermijn bedraagt nu 45 dagen en is van toepassing voor alle beslissingen die worden genomen na datum van de inwerkingtreding van het decreet (BS 15 juli 2011 + 10 dagen).

Opmerkelijk is dat de decreetgever de wachttermijn niet heeft aangepast. Een voorbeeld. Artikel 4.7.25, §5 VCRO stelt nog steeds:

"§5. Van een vergunning, afgegeven door de deputatie, mag gebruik worden gemaakt vanaf de zesendertigste dag na de dag van aanplakking. Hetzelfde geldt voor de vergunning, afgegeven door het college van burgemeester en schepenen, waartegen het beroep door de deputatie stilzwijgend is afgewezen".

Dit blijkt, zowaar, geen vergetelheid te zijn (arl. St. Vl. P 2010-2011, nr. 1171/1, p. 11)

"De Raad van State merkt op dat de wachttermijn die momenteel buiten de beroepstermijn verstrijkt, door de verlenging van de beroepstermijn, binnen de nieuwe beroepstermijn verstrijkt. Gelet op de nadelige gevolgen hiervan voor de betrokken partijen, vraagt de Raad om na te gaan of de voormelde wachttermijn niet eveneens dient te worden uitgebreid.
Het verlengen van de wachttermijn wordt echter niet wenselijk geacht. Indien men deze wachttermijn in evenredigheid met de uitbreiding van de termijn voor het instellen van een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen zou uitbreiden, zou deze wachttermijn
op vijftig dagen moeten worden gebracht. Het is niet wenselijk elke vergunninghouder, nahet doorlopen van de volledige vergunningsprocedure, nog eens dergelijke lange termijn verplichtend op te leggen, vooraleer van de vergunning gebruik kan worden gemaakt.
De bestaande wachttermijn van 35 dagen biedt voldoende rechtsbescherming voor belanghebbende derden. Aangezien de werken slechts een aanvang mogen nemen na 36 dagen, is het immers weinig waarschijnlijk dat de werken reeds een substantiële aanvang zouden hebben genomen vooraleer de vergunninghouder in kennis werd gesteld van een eventueel beroep.

Bovendien zou ook een verlenging van de wachttermijn op zichzelf genomen geen sluitende rechtsbescherming aan belanghebbende derden bieden, vermits een beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen niet schorsend werkt en de vergunninghouder dus toch de werken kan aanvatten ook al werd een dergelijk beroep ingesteld.

Indien de vergunninghouder dit wenselijk acht en ter zake geen enkel risico wenst te lopen, kan deze er uiteraard wel vrijwillig voor opteren om een langere wachttermijn in acht te nemen".

Het is zeker bij een sloopvergunning aangewezen niet te wachten op de laatste dag om beroep bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen in te dienen...

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Raad voor Vergunningsbetwistingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
15/07/2011

Nieuwe procedureregels Milieuhandhavingscollege


De nieuwe procedureregels treden in werking 10 dagen na publicatie. De beroepen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe procedure reeds voor het college hangende zijn, worden verder behandeld volgens de oude procedure.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Milieuhandhavingscollege
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/07/2011

Geen regularisatie mogelijk na een definitief afbraakvonnis?

Zo oordeelt alvast de Raad van State in een belangwekkend arrest nr. 212.037 van 15 maart 2011:

"Bij arrest van 7 juni 1972 van het Hof van Beroep te Antwerpen, waarvan niet wordt betwist dat het in kracht van gewijsde is gegaan, werd onmiskenbaar gewezen dat het bouwwerk, waarvan thans de regularisatie
wordt nagestreefd, binnen zes maanden moest worden afgebroken, vermits het
arrest het herstel van de plaats in de vorige staat binnen die termijn beval.

De veroordeling was gesteund op het feit dat het bouwwerk zonder de vereiste vergunning was opgetrokken.

De rechtsvoorgangers van de tussenkomende partijen hadden de rechtsplicht om binnen zes maanden na de uitspraak van het arrest van het Hof van Beroep, d.w.z. vóór 7 december 1972, zelf over te gaan tot de afbraak van het betrokken bouwwerk. Het verstrijken van deze uitvoeringstermijn laat deze rechtsplicht onverkort, zodat deze rechtsplicht ook thans nog onverminderd geldt.

Het gezag van gewijsde van dit arrest, het grondwettelijk principe van de scheiding der machten, en het fundamentele beginsel van onze rechtsorde dat de rechterlijke beslissingen alleen kunnen worden gewijzigd door
de aanwending van rechtsmiddelen (Grondwettelijk Hof, arrest nr. 5/2009,
15 januari 2009, arrest nr. 3/2011, 13 januari 2011), welke beginselen de
openbare orde raken, verzetten er zich tegen dat de uitvoerende macht een
vergunning verleent strekkende tot het behoud van een bouwwerk, waarvan een
definitieve rechterlijke beslissing de afbraak heeft bevolen.

Het gegeven dat nadien de ruimtelijke omstandigheden zijn gewijzigd, bijvoorbeeld ten gevolge van een gewijzigde planologische context, doet aan de voormelde vaststelling geenszins afbreuk en laat niet toe anders te
besluiten.

Er anders over oordelen zou bovendien noch min noch meer een aanmoediging inhouden voor de personen die door de rechter werden veroordeeld tot een herstelmaatregel, om het arrest naast zich neer te leggen, en te
speculeren op nieuwe planologische ontwikkelingen.

Ook het feit dat instanties een regularisatie in het vooruitzicht zouden hebben gesteld, kan geen afbreuk doen aan de hierboven vastgestelde
schending van de vermelde beginselen.

De tussenkomende partijen kunnen er zich ook niet met goed gevolg op beroepen dat een ambtshalve uitvoering van het arrest van het Hof van
Beroep in rechte niet meer mogelijk zou zijn, ten gevolge van het jarenlange
stilzitten van de overheid.

Dat de overheid gebeurlijk niet meer tot de ambtshalve uitvoering van de herstelmaatregel zou kunnen overgaan, heeft immers vooreerst geenszins tot gevolg dat de betrokken maatregel niet meer zou zijn opgelegd. Het
is alleen de ambtshalve uitvoering die er gebeurlijk onmogelijk door wordt.
Dergelijk gedrag van de uitvoerende macht kan bovendien geen rechtvaardiging zijn voor diezelfde uitvoerende macht, om nadien een vergunning af te leveren, in strijd met de genoemde fundamentele rechtsbeginselen. De uitvoerende macht kan zich niet beroepen op haar eigen handelswijze of niet handelen om een rechterlijke uitspraak te miskennen".

Benieuwd of de Raad voor Vergunningsbetwistingen er hetzelfde over denkt.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Lokale besturen, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags