02/07/2018

Lage drempel bij Raad van State voor milieuverenigingen

Dit blijkt nogmaals uit het arrest nr. 242.009 van 28 juni 2018 waarbij de milieuvergunning van een crematorium werd aangevochten:

'De verenigingen zonder winstoogmerk kunnen krachtens de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, in rechte optreden ter verdediging
van het doel of de doeleinden waarvoor ze zijn opgericht. Wanneer een VZW, die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor de Raad van State optreedt, is vereist dat haar maatschappelijk doel van bijzondere aard is en derhalve onderscheiden van het algemeen belang, dat zij optreedt ter verdediging van een collectief belang,dat haar maatschappelijk doel door de bestreden handeling kan worden geraakt, en dat niet blijkt dat dit maatschappelijk doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.

Anders dan de tussenkomende partij aanneemt is het niet vereist dat er daarenboven ook een band van evenredigheid zou bestaan tussen het actieterrein van de verzoekende partij en de territoriale draagwijdte van de aan de milieuvergunning verbonden milieueffecten.

Zowel het in de statuten van de verzoekende partijen opgenomen maatschappelijk doel, als de strekking van het annulatieberoep dat ze hebben ingediend, is ruimer dan de loutere bescherming van de open ruimte.

De vergunde inrichting is een als hinderlijk ingedeelde inrichting klasse 1 wat op zichzelf volstaat voor de verzoekende partijen die zich precies de bescherming van die leefomgeving tot doel hebben gesteld om het vereiste belang te hebben bij het indienen van een annulatieberoep ongeacht welke administratieve rechtshandelingen zij nog of niet bestrijden ter bevordering van hun maatschappelijk doel.

Het al of niet draagkrachtig karakter van de argumenten van de verzoekende partijen betreft de beoordeling van hun middelen.

De excepties worden verworpen.

Het annulatieberoep is ontvankelijk'.

Referentie: PUB5244-3

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Milieurecht, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
22/06/2018

Plan-MER voor stedenbouwkundige verordeningen? Als het van minister Schauvliege afhangt alvast wel

We hebben u eerder bericht over arrest van het Hof van Justitie van 7 juni 2018 (nr. C-671/16).  Dit leidt tot ongerustheid binnen de Vlaamse overheid. Zo luidt het bij de minister op de vraag van Vlaams parlementslid Axel Ronse in de plenaire vergadering van 20 juni ll.:

'Axel Ronse: Minister, er is een probleem. Vorig jaar dacht ik dat ook al eventjes. Er is zoiets als een stedenbouwkundige verordening, een instrument waarmee overheden, gemeenten, provincies, Vlaanderen, een kader kunnen maken waartegenover vergunningsaanvragen worden beoordeeld. Bijvoorbeeld als je een huis bouwt, moeten er minstens zoveel parkeerplaatsen zijn, er zijn oppervlaktennormen enzovoort. Bijna elke vergunning wordt afgewogen tegenover zo'n verordening.

De Raad van State heeft vorig jaar, naar aanleiding van een beroep tegen een bouwvergunning, gezegd dat zulke verordeningen, vooraleer ze worden gemaakt, moeten worden getoetst aan de effecten die ze hebben op het milieu, zoniet zijn ze nietig. Ik had u daar een schriftelijke vraag over gesteld. U zei: ‘Neen, ik heb het met mijn administratie onderzocht. We moeten ons daar geen zorgen over maken.’

Nu heeft men dit aangevochten naar aanleiding van een verordening in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest over de Europawijk. De Raad van State heeft advies gevraagd bij het Europees Hof van Justitie en dat heeft gezegd dat elke verordening, elk afwegingskader waartegenover een vergunning moet worden beoordeeld, moet worden voorafgegaan door een milieueffectenrapport. Als dat zo is, kan dat bijzonder problematisch zijn, want wat moet een gemeente dan doen met vergunningsaanvragen tegenover zo'n verordening waar geen milieueffectenrapport voor is gemaakt, of mogen zij nog nieuwe maken? Kortom, het kan een serieuze crisis veroorzaken op vlak van ruimtelijke ordening.

Minister, hebt u daarop al geanticipeerd? Bent u daar al mee bezig?

Minister Joke Schauvliege: Collega Ronse, het klopt dat in juni het Europees Hof van Justitie een uitspraak heeft gedaan op basis van een prejudiciële vraag. De vraag ging over een Brusselse gewestelijke stedenbouwkundige verordening. Wat zegt het Europees Hof van Justitie? Het zegt dat je zo'n verordening moet zien als een plan, een plan dat in het kader van de MER-richtlijn ook plan-MER-plichtig is. Er moet eigenlijk een milieueffectenrapportage worden opgemaakt voor zo'n verordening definitief kan worden aangenomen.

Tot vandaag gingen we ervan uit dat dit niet zo was en hebben wij de regelgeving correct toegepast, denk ik.

Dit kan zeer verregaande gevolgen hebben als er inderdaad bij de toepassing bij ons wordt geoordeeld dat de verordeningen eigenlijk onwettig zijn.

Wat is de situatie vandaag? Er zijn een aantal beroepen lopende die daarop zijn gebaseerd, zowel bij de Raad van State als bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Het is heel belangrijk dat wij die uitspraken afwachten. Als dat wordt doorgetrokken, dan moeten wij actie ondernemen naar de bestaande stedenbouwkundige verordeningen.

Wat doen wij al op dit moment? Bij de nieuwe verordeningen zullen we al verantwoordelijkheid nemen en daarop anticiperen en het voorzorgsprincipe toepassen. We zullen ervoor zorgen dat ze aan een plan-MER worden onderworpen. Voor de bestaande verordeningen wachten wij de uitspraken af van de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Als er uitspraken zijn in de zin dat ze onwettig zijn, dan zullen deze moeten worden herzien, zal er een plan-MER moeten worden opgemaakt die als basis kan dienen om er een vergunning op te baseren.'

De minister is voorstander om stedenbouwkundige verordeningen - die onder het toepassingsgebied van de Plan-MER-richtlijn zouden kunnen vallen - nu reeds, bij wijze van voorzorgsmaatregel, te onderwerpen aan een Plan-MER. Voor een eventueel decretaal ingrijpen is het evenwel nog wachten op de uitspraken in een aantal lopende procedures voor de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen.

Wordt ongetwijfeld vervolgd.

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Leandra Decuyper, MER, Procedure, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/06/2018

Update doorlooptijd bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen

Elk jaar maakt de Raad voor Vergunningsbetwistingen in het jaarverslag een stand van zaken op van de doorlooptijd van de bij de Raad hangende zaken.

Op vraag van Vlaams Parlementslid Bothuyne heeft minister Bourgeois deze cijfers nu vrijgegeven en gepubliceerd. 

Daaruit blijkt dat alle nog resterende dossiers van het werkjaar 2015-2016 intussen behandeld zijn tijdens een openbare zitting. 79% van dat werkjaar is ook al afgesloten met een definitieve uitspraak.

De gemiddelde doorlooptijd bedraagt zodoende, volgens gegevens van de minister, momenteel 16 - 17 maanden. 

Meer informatie vindt u hier.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Merlijn De Rechter, Omgevingsvergunning, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
01/06/2018

Niet de formele, maar wel de materiële motiveringsplicht geldt voor stilzwijgende weigeringsbeslissingen

Zo blijkt uit het arrest nr. RvVb/A/1718/0863 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 15 mei 2018:

‘De Raad merkt op dat de verzoekende partij in haar betoog de schending opwerpt van artikel 2 en 3 van de Motiveringswet. Anders dan wat verzoekende partij poneert, is deze wet echter niet van toepassing op stilzwijgende beslissingen en kan er bijgevolg geen sprake zijn van de schending van de formele motiveringsplicht.

Op een stilzwijgende beslissing is wel de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van toepassing samen met het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als onderdeel van de materiële motiveringsplicht. Het beginsel van de materiële motiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan, wat ondermeer betekent dat die motieven moeten steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.’.

Vervolgens stelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen vast dat ‘verwerende partij, door haar stilzwijgende weigeringsbeslissing,  zonder enige motivering de beroepsargumenten van verzoekende partij en de administratieve procedure heeft afgewezen.
Bovendien wordt de stilzwijgende weigeringsbeslissing van verwerende partij gekenmerkt door een kennelijk onzorgvuldigheid van de toetsing van het aangevraagde project aan de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening. Elke toets van de verenigbaarheid van het aangevraagde project met de stedenbouwkundige voorschriften en met de goede ruimtelijke ordening zoals voorgeschreven in artikel 4.3.1, §1 VCRO en een onderzoek van de argumentatie van de verzoekende partij hierover ontbreekt immers in de beslissing.

Het gegeven dat de provinciale stedenbouwkundig ambtenaar in een gemotiveerd verslag voorstelde om het beroep af te wijzen en de gevraagde stedenbouwkundige vergunning te weigeren, kan aan de voormelde gebreken in de bestreden beslissing niet verhelpen. De verzoekende partij heeft in haar replieknota overigens uitgebreid geantwoord op het verslag van de provinciale stedenbouwkundig ambtenaar. De Raad kan niet beoordelen in welke mate de vergunningverlenende overheid het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar is bijgetreden en in welke mate rekening is gehouden met de tegenargumentatie van verzoekende partij. Dit blijkt immers nergens uit de stilzwijgende beslissing.’.

Referentie: Pub1601-11

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Motivering, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/05/2018

Vrijstelling omgevingsvergunning geldt ook voor geluidsschermen (zelfs aan de E40)

Artikel 10, 5° van het Vrijstellingenbesluit stelt dat geen stedenbouwkundige vergunning vereist is ‘voor de uitvoering van de volgende handelingen op openbaar domein of op een terrein dat na de handelingen tot het openbaar domein zal behoren: (…) 5° gebruikelijke aanhorigheden’.  In het verslag aan de Vlaamse regering bij dit besluit wordt aangegeven dat onder aanhorigheden geluidsbermen en geluidsscheren behoren:

De Raad voor Vergunningsbetwistingen bevestigt in het arrest nr. RvVb/A/1718/0800 van 8 mei 2018:

‘Uit het artikel 10,5° van het Vrijstellingsbesluit en de bijhorende toelichting volgt dat voor het plaatsen van de geluidsschermen op openbaar domein, ongeacht de gewestplanbestemming, geen stedenbouwkundige vergunning vereist is’.

In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest was het bijkomend de vraag in welke mate de geluidsschermen werden geplaatst op percelen die tot het openbaar domein behoren. Daarbij stelde appellante dat de E40 bij KB van 4 juni 1958  slechts een erkenning als autosnelweg heeft gekregen voor een dubbele rijstrook per rijrichting, terwijl de verbreding tot 3 rijstroken in 1970 niet gebeurde bij Koninklijk Besluit. Hieruit leidt zij af dat de derde rijstrook en de plaatsing van de geluidsschermen niet op openbaar domein gebeurden en zelfs op haar eigendom.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen verwerpt dit argument:

‘Dit standpunt kan niet gevolgd worden.

Vooreerst is het niet voor betwisting vatbaar dat de E40 werd uitgevoerd met drie rijstroken en dat de E40 op de huidige en bestaande breedte, met haar aanhorigheden als openbaar domein moet orden beschouwd: deze autosnelweg dient immers, zonder onderscheid van persoon, tot gebruik van allen.

Het kan door de verzoekende partij ook niet ernstig worden betwist dat reeds bij aanvang voldoende breedte werd voorzien om tweemaal 3 rijstroken aan te leggen. De verzoekende partij geeft zelf volgende historische feitelijkheden weer: ‘Het platform van de snelweg was 30 meter breed; hierop werden tweemaal twee rijstroken aangelegd, elke rijstrook ongeveer 3,5 meter breed, geflankeerd door een brede zijberm. Tussen Brussel en Aalst werd het platform voorzien op een verbreding tot tweemaal 3 rijstroken. Die verbreding werd in 1970 ook effectief uitgevoerd en dit over een afstand van bijna 920 kilometer tussen Groot-Bijgaarden en Brugge’

De verwerende partij verwijst dienaangaande naar de onteigeningen die in 1951 werden uitgevoerd en neemt deze in haar laatste nota op. Uit dit onteigeningsplan blijkt dat er innames voorzien waren van tweemaal 24,50 meter.

Het loutere feit dat er enkel in 1958 een koninklijk besluit werd uitgevaardigd voor de indeling en erkenning van de openbare weg met dubbele rijbaan als autosnelweg en deze erkenning niet herhaald werd bij de uitbreiding in 1970 naar tweemaal drie rijstroken, doet geen afbreuk aan het openbaar domeinkarakter.

Uit het voorgaande volgt dat de verzoekende partij van de verkeerde veronderstelling vertrekt. In de mate de verzoekende partij voorhoudt dat de geluidsschermen op haar eigendom staan en niet tot het openbaar domein behoren, wordt dit op het eerste gezicht tegengesproken door het onteigeningsplan van 1951. Betwistingen omtrent de juiste ligging van een perceel ten opzichte van het openbaar domein behoren bovendien volgens artikel 144 van de Grondwet tot de uitsluitende bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken. Het is niet de taak van de Raad om daarover te oordelen.’

Referentie: pub3748-4

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vrijstellingenbesluit
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags