08/06/2018

Stedenbouwkundige verordeningen vallen ook onder de plan-MER-richtlijn

In een arrest van het Hof van Justitie van 7 juni 2018 (nr. C-671/16) staat het volgende te lezen aangaande een Brusselse Stedenbouwkundige Verordening:

"Uit de lezing van de bestreden verordening volgt dat zij met name voorschriften bevat met betrekking tot de inrichting van zones die zich in de omgeving van de gebouwen en de andere vrije ruimten bevinden, van doorgangsgebieden, van zones met koeren en tuinen, de omheiningen, de aansluitingen van de bouwwerken op de netwerken en op de riolering, de opvang van het regenwater en diverse kenmerken van de bouwwerken, met name het veelzijdig en duurzaam karakter ervan, bepaalde van hun uiterlijke kenmerken of nog de toegang van voertuigen tot de bouwwerken.

In het licht van de wijze waarop zij zijn omschreven, kunnen de door een dergelijke verordening vastgestelde criteria en modaliteiten, zoals de advocaat-generaal in punt 30 van haar conclusie heeft opgemerkt, aanzienlijke gevolgen hebben voor het stedelijk milieu.

Zulke criteria en modaliteiten kunnen immers, zoals de Commissie heeft benadrukt, een invloed hebben op de verlichting, de wind, het stedelijk landschap, de luchtkwaliteit, de biodiversiteit, het waterbeheer, de duurzaamheid van de bouwwerken en, meer in het algemeen, op de uitstoot in de betrokken zone. Meer in het bijzonder en zoals in de preambule van de bestreden verordening vermeld, kunnen het bouwvolume en de plaatsing van hoge gebouwen ongewenste schaduw- of windeffecten veroorzaken.

Gelet op deze gegevens, waarvan de verwijzende rechter echter het bestaan en de draagwijdte moet beoordelen rekening houdend met de betrokken verordening, dient te worden geoordeeld dat een verordening zoals aan de orde in het hoofdgeding valt onder het begrip „plannen en programma’s” in de zin van artikel 3, leden 1 en 2, van de SMB-richtlijn, die aan een milieueffectbeoordeling moet worden onderworpen."

Het integrale arrest vindt u hier.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Lokale Besturen
Tags Brussels omgevingsrecht, Lokale besturen, Merlijn De Rechter, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
01/06/2018

Niet de formele, maar wel de materiële motiveringsplicht geldt voor stilzwijgende weigeringsbeslissingen

Zo blijkt uit het arrest nr. RvVb/A/1718/0863 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 15 mei 2018:

‘De Raad merkt op dat de verzoekende partij in haar betoog de schending opwerpt van artikel 2 en 3 van de Motiveringswet. Anders dan wat verzoekende partij poneert, is deze wet echter niet van toepassing op stilzwijgende beslissingen en kan er bijgevolg geen sprake zijn van de schending van de formele motiveringsplicht.

Op een stilzwijgende beslissing is wel de materiële motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur van toepassing samen met het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel als onderdeel van de materiële motiveringsplicht. Het beginsel van de materiële motiveringsplicht houdt in dat er voor elke administratieve beslissing rechtens aanvaardbare motieven moeten bestaan, wat ondermeer betekent dat die motieven moeten steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die relevant zijn en met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld.’.

Vervolgens stelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen vast dat ‘verwerende partij, door haar stilzwijgende weigeringsbeslissing,  zonder enige motivering de beroepsargumenten van verzoekende partij en de administratieve procedure heeft afgewezen.
Bovendien wordt de stilzwijgende weigeringsbeslissing van verwerende partij gekenmerkt door een kennelijk onzorgvuldigheid van de toetsing van het aangevraagde project aan de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening. Elke toets van de verenigbaarheid van het aangevraagde project met de stedenbouwkundige voorschriften en met de goede ruimtelijke ordening zoals voorgeschreven in artikel 4.3.1, §1 VCRO en een onderzoek van de argumentatie van de verzoekende partij hierover ontbreekt immers in de beslissing.

Het gegeven dat de provinciale stedenbouwkundig ambtenaar in een gemotiveerd verslag voorstelde om het beroep af te wijzen en de gevraagde stedenbouwkundige vergunning te weigeren, kan aan de voormelde gebreken in de bestreden beslissing niet verhelpen. De verzoekende partij heeft in haar replieknota overigens uitgebreid geantwoord op het verslag van de provinciale stedenbouwkundig ambtenaar. De Raad kan niet beoordelen in welke mate de vergunningverlenende overheid het verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar is bijgetreden en in welke mate rekening is gehouden met de tegenargumentatie van verzoekende partij. Dit blijkt immers nergens uit de stilzwijgende beslissing.’.

Referentie: Pub1601-11

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Motivering, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/05/2018

Vrijstelling omgevingsvergunning geldt ook voor geluidsschermen (zelfs aan de E40)

Artikel 10, 5° van het Vrijstellingenbesluit stelt dat geen stedenbouwkundige vergunning vereist is ‘voor de uitvoering van de volgende handelingen op openbaar domein of op een terrein dat na de handelingen tot het openbaar domein zal behoren: (…) 5° gebruikelijke aanhorigheden’.  In het verslag aan de Vlaamse regering bij dit besluit wordt aangegeven dat onder aanhorigheden geluidsbermen en geluidsscheren behoren:

De Raad voor Vergunningsbetwistingen bevestigt in het arrest nr. RvVb/A/1718/0800 van 8 mei 2018:

‘Uit het artikel 10,5° van het Vrijstellingsbesluit en de bijhorende toelichting volgt dat voor het plaatsen van de geluidsschermen op openbaar domein, ongeacht de gewestplanbestemming, geen stedenbouwkundige vergunning vereist is’.

In de zaak die aanleiding gaf tot het arrest was het bijkomend de vraag in welke mate de geluidsschermen werden geplaatst op percelen die tot het openbaar domein behoren. Daarbij stelde appellante dat de E40 bij KB van 4 juni 1958  slechts een erkenning als autosnelweg heeft gekregen voor een dubbele rijstrook per rijrichting, terwijl de verbreding tot 3 rijstroken in 1970 niet gebeurde bij Koninklijk Besluit. Hieruit leidt zij af dat de derde rijstrook en de plaatsing van de geluidsschermen niet op openbaar domein gebeurden en zelfs op haar eigendom.

De Raad voor Vergunningsbetwistingen verwerpt dit argument:

‘Dit standpunt kan niet gevolgd worden.

Vooreerst is het niet voor betwisting vatbaar dat de E40 werd uitgevoerd met drie rijstroken en dat de E40 op de huidige en bestaande breedte, met haar aanhorigheden als openbaar domein moet orden beschouwd: deze autosnelweg dient immers, zonder onderscheid van persoon, tot gebruik van allen.

Het kan door de verzoekende partij ook niet ernstig worden betwist dat reeds bij aanvang voldoende breedte werd voorzien om tweemaal 3 rijstroken aan te leggen. De verzoekende partij geeft zelf volgende historische feitelijkheden weer: ‘Het platform van de snelweg was 30 meter breed; hierop werden tweemaal twee rijstroken aangelegd, elke rijstrook ongeveer 3,5 meter breed, geflankeerd door een brede zijberm. Tussen Brussel en Aalst werd het platform voorzien op een verbreding tot tweemaal 3 rijstroken. Die verbreding werd in 1970 ook effectief uitgevoerd en dit over een afstand van bijna 920 kilometer tussen Groot-Bijgaarden en Brugge’

De verwerende partij verwijst dienaangaande naar de onteigeningen die in 1951 werden uitgevoerd en neemt deze in haar laatste nota op. Uit dit onteigeningsplan blijkt dat er innames voorzien waren van tweemaal 24,50 meter.

Het loutere feit dat er enkel in 1958 een koninklijk besluit werd uitgevaardigd voor de indeling en erkenning van de openbare weg met dubbele rijbaan als autosnelweg en deze erkenning niet herhaald werd bij de uitbreiding in 1970 naar tweemaal drie rijstroken, doet geen afbreuk aan het openbaar domeinkarakter.

Uit het voorgaande volgt dat de verzoekende partij van de verkeerde veronderstelling vertrekt. In de mate de verzoekende partij voorhoudt dat de geluidsschermen op haar eigendom staan en niet tot het openbaar domein behoren, wordt dit op het eerste gezicht tegengesproken door het onteigeningsplan van 1951. Betwistingen omtrent de juiste ligging van een perceel ten opzichte van het openbaar domein behoren bovendien volgens artikel 144 van de Grondwet tot de uitsluitende bevoegdheid van de burgerlijke rechtbanken. Het is niet de taak van de Raad om daarover te oordelen.’

Referentie: pub3748-4

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vrijstellingenbesluit
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/05/2018

Burgemeester mag vertrouwen op politionele informatie

De Raad van State is in het arrest nr. 241.562 duidelijk:

'Eén zaak is dat de verwerende partij voor het nemen van de bestreden beslissing over motieven moet beschikken waarvan zij het bestaan bewijst en die de beslissing kunnen dragen; een andere is dat verzoekers, zo zij geloofwaardig de deugdelijkheid willen betwisten van de motieven die de verwerende partij voornemens is in aanmerking te nemen, dat moeten doen aan de hand van overtuigende gegevens.

Te dezen voert de verwerende partij politionele informatie aan waaruit zou blijken dat op 26 maart 2018 in de winkel van verzoekers twee “kwetsbare” werknemers (“illegalen”) zijn aangetroffen die “in ruil voor een schamele tegenprestatie (een hongerloon of zelfs dat nog niet) onmenselijk veel werkuren [moeten] presteren”. Twee dagen later worden in een met de winkel verbonden magazijn twee personen gevonden die zwartwerk verrichten en waarvan er één illegaal in het land verblijft. Zij verklaren dat zij aangetrokken werden door de zaakvoerders omdat die personeel verloren door een controleactie en dringend vervangers zochten. Deze politionele informatie wordt door het arbeidsauditoraat, dat een strafonderzoek voert, expliciet bevestigd.

Over de vaststellingen van 26 maart 2018 zegt tweede verzoeker, in de verweernota, niets te kunnen zeggen. Wat de vaststellingen van 28 maart 2018 betreft, gaat het volgens hem om een persoon die opsollicitatiegesprek kwam en om een vriend van zijn oudste zoon. Een nadere concrete staving van een en ander is er niet.

Dat de verwerende partij in de gegeven omstandigheden meent te mogen voortgaan op de politionele informatie waartegen zelfs geen “begin van concrete tegenelementen” wordt ingebracht, lijkt niet onterecht'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Gemeenterecht, Mensenhandel
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/05/2018

Dwangsomarrest Grondwettelijk Hof dreigt stedenbouwovertreders zuur op te breken

In het arrest nr. 60/2018 van 17 mei 2018 stelt het Grondwettelijk Hof:

'B.3. Bij zijn arrest nr. 122/2012 van 18 oktober 2012, heeft het Hof voor recht gezegd dat het artikel 36 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het de verzoekende partij op wier vordering reeds een dwangsom werd opgelegd, niet de mogelijkheid biedt om het opleggen van een bijkomende dwangsom of het verhogen van de reeds opgelegde dwangsom te vorderen in het geval dat de overheid op volhardende wijze in gebreke blijft uitvoering te geven aan het vernietigingsarrest, terwijl het aan de overheid die een dwangsom opgelegd kreeg, de mogelijkheid biedt om de opheffing van die dwangsom of de opschorting van de looptijd of de vermindering ervan te vorderen in geval van blijvende of tijdelijke of gedeeltelijke onmogelijkheid voor die overheid om aan de hoofdveroordeling te voldoen. (...)

B.4.1. Net zoals de dwangsom uitgesproken door de Raad van State, heeft de dwangsom die door de rechtscolleges van de rechterlijke orde wordt uitgesproken tot doel de inachtneming te waarborgen van het gezag van gewijsde van de beslissingen die zij uitspreken.

B.4.2. Om dezelfde redenen als die welke in het voormelde arrest nr. 122/2012 zijn uiteengezet, is artikel 1385quinquies van het Gerechtelijk Wetboek niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het aan de partij op wier vordering reeds een dwangsom werd opgelegd, niet de mogelijkheid biedt om een bijkomende dwangsom of het verhogen van de reeds opgelegde dwangsom te vorderen indien de partij die op straffe van een dwangsom tot uitvoering werd veroordeeld in gebreke blijft dat te doen, terwijl het aan de veroordeelde partij die een dwangsom opgelegd kreeg, de mogelijkheid biedt om de rechter te verzoeken de dwangsom op te heffen, de looptijd ervan op te schorten gedurende de door hem te bepalen termijn of de dwangsom te verminderen in geval van blijvende of tijdelijke, gehele of gedeeltelijke onmogelijkheid voor de veroordeelde om aan de hoofdveroordeling te voldoen.

B.4.3. De prejudiciële vraag dient bevestigend te worden beantwoord'.

Het geschil onderliggend aan het arrest had geen betrekking op een stedenbouwschending, maar het nieuwe arrest kan wel tot inspiratie dienen voor herstelvorderende stedenbouwhandhavers of geburen indien de herstelrechter een lage dwangsom heeft opgelegd die de facto niet afschrikwekkend werkt.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Dwangsom, Handhaving stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags