14/06/2013

Rolrecht Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigd door Grondwettelijk Hof

Lees hier het arrest nr. 85/2013 van het Grondwettelijk Hof van 13 juni 2013.  De vernietiging geldt enkel voor de toekomst (vanaf 1 januari 2014).  Tegen dan zal er wellicht een oplossing gevonden zijn door het Vlaams Gewest...Lees hier het bericht op onze blog Grondwettelijk recht.
06/12/2012

Geen aparte verjaringsregels voor instellingen van openbaar nut

Zo besliste althans het Grondwettelijk Hof impliciet in een recent gewezen arrest:

De verwijzende rechter besliste bijvonnis van 8 november 2011 in zake de nv "Dierickx" tegen de Belgische Staat en het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, de volgende prejudiciële vraag  te stellen:

"Schendt artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 17 juli 1991, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat die bepaling, die voor de vorderingen tot schadevergoeding ten laste van de Belgische Staat in een verjaringstermijn van vijf jaar voorziet te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan, niet van toepassing zou zijn op de vorderingen tot schadevergoeding die worden ingesteld tegen de instellingen behorende tot de categorie A volgens de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige organismen van openbaar nut en deze aldus onderworpen zouden zijn aan de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen ?".

Het Grondwettelijk Hof besliste hierover als volgt:

"Artikel 100, eerste lid, 1°, van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 17 juli 1991, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet in zoverre de verjaringstermijn waarin het voorziet niet van toepassing is op de schuldvorderingen ten laste van de instellingen van openbaar nut van categorie A".

Het feit dat de gemeenrechtelijke verjaringstermijn (en dus niet de specifieke verjaringstermijn uit art. 100 Begrotingswet) van toepassing is op schuldvorderingen ten laste van de instellingen van openbaar nut is dus volgens het Grondwettelijk Hof niet ongrondwettelijk.

Gepost door Karel-Jan Vandormael

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Gelijkheidsbeginsel, Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
06/12/2012

Autonome gemeentebedrijven moeten fiscaal gelijk behandeld worden als intercommunales


Het Grondwettelijk Hof besliste vandaag op 6 december immers het volgende:

De zaak handelde over een autonoom gemeentebedrijf (elektriciteitsvoorzieningen). De verwijzende rechter stelde volgende  prejudiciële vraag:

"Schendt artikel 180, 1° juncto artikel 220, 2° WIB 92 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, in zoverre het de intercommunales of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden vrijstelt van devennootschapsbelasting en onderwerpt aan de rechtspersonenbelasting en aldus een onderscheid in het leven roept tussen de intercommunales of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden enerzijds, en anderzijds de autonome gemeentebedrijven die identiek dezelfde taak van gemeentelijk belang verrichten, doch onderworpen worden aan de vennootschapsbelasting?".

Het antwoord luidde als volgt:

"Artikel 180, 1°,  van het  Wetboek van de inkomstenbelastingen  1992,  in samenhang gelezen met artikel 220, 2°, van hetzelfde Wetboek, schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet in zoverre het de autonome gemeentebedrijven die een identieke taak uitoefenen als een intercommunale of een intergemeentelijk samenwerkingsverband en die niet in concurrentie treden met ondernemingen in de privésector, niet  eveneens als de intercommunales en  intergemeentelijke samenwerkingsverbanden vrijstelt van de vennootschapsbelasting".

Gepost door Karel-Jan Vandormael

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Gelijkheidsbeginsel, Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
22/11/2012

Waals decreet met legislatieve validatie van vergunningen deels vernietigd

In arrest nr. 144/2012 van 22 november 2012 heeft het Grondwettelijk Hof het Waalse decreet van 17 juli 2008 "betreffende enkele vergunningen waarvoor er dringende redenen van algemeen belang bestaan" gedeeltelijk vernietigd.

Het arrest komt er nadat het Grondwettelijk Hof prejudiciële vragen had gesteld aan het Europees Hof van Justitie.

Het Waalse decreet van 17 juli 2008 was een van de typevoorbeelden van legislatieve validatie, waarbij de wetgevende macht vergunningen bekrachtigde die eerder door de administratieve overheden waren verleend. Het Grondwettelijk Hof heeft het decreet nu gedeeltelijk vernietigd.
22/11/2012

Geen rechtsplegingsvergoeding voor verwerende partij in procedures voor de Raad van State

In het arrest nr. 96/2012 van 19 juli 2012 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat, anders dan de verzoekende partij, de verwerende partij in een procedure voor de Raad van State, geen recht heeft op een analoge toepassing van de rechtsplegingsvergoedingregeling:

"B.9. Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing in alle gevallen waarin de overheid in het gelijk wordt gesteld voor een justitieel gerecht, zodat zij niet stelselmatig de forfaitaire terugbetaling van haar advocatenkosten verkrijgt in alle geschillen die zij wint. Op grond van artikel 1017, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt de verwijzing in de kosten aldus steeds uitgesproken, voor bepaalde geschillen die in die bepaling worden beoogd, ten laste van de overheid of de openbare instelling, ongeacht de afloop van het geschil.
De wetgever vermocht ervan uit te gaan dat er geschillen bestaan waarin het niet verantwoord zou zijn dat de persoon die een hem betreffende administratieve beslissing betwist en het niet haalt in die betwisting, ertoe zou zijn gehouden een deel van de kosten en erelonen van de advocaat terug te betalen die de administratie heeft opgelopen bij de verdediging van de wettigheid van de beslissing.

B.10. Het verschil in behandeling onder de procespartijen voor de Raad van State berust op een relevant criterium. De overheid, steller van de handeling, tegenpartij voor de Raad van State, beschikt immers in beginsel, vóór de geschilprocedure, over alle nuttige middelen en gegevens die haar in staat stellen de wettigheid van de handeling te verdedigen, waardoor zij zich bevindt in een specifieke situatie ten aanzien van de noodzaak om een beroep te doen op de bijstand van een advocaat. In de omgekeerde situatie kan de verzoekende partij die kan aantonen dat zij schade heeft geleden als gevolg van de onwettige handeling, aanvoeren dat de kosten die zij heeft opgelopen, aangezien zij de nietigverklaring van de handeling die haar benadeelde, niet zou hebben kunnen verkrijgen zonder de bijstand van een advocaat, deel uitmaken van die schade. Dat verschil in situaties verantwoordt dat de overheid de terugbetaling van de kosten en erelonen van haar advocaat ten laste van de verzoekende partij wier beroep is verworpen, niet kan verkrijgen, terwijl de verzoekende partij die de nietigverklaring van de handeling verkrijgt, de forfaitaire terugbetaling van haar kosten en erelonen van de advocaat kan verkrijgen.

B.11. Ten slotte brengt de ontstentenis van de mogelijkheid, voor de overheid die in het gelijk wordt gesteld voor de Raad van State, om een deel van de kosten en erelonen van haar advocaat te recupereren bij de verzoekende partij, geen onevenredige gevolgen met zich mee. Hoewel het juist is dat alle overheden die ertoe worden gebracht tegenpartij te zijn in de rechtsplegingen voor de Raad van State, niet over dezelfde middelen beschikken, met name op het vlak van personeel dat in het administratief contentieux is gespecialiseerd, kan worden aangenomen dat, in het algemeen, de overheid die de handeling aanneemt waarvan de wettigheid in het geding is gebracht, beschikt over menselijke en financiële middelen waarover de verzoekende partij niet noodzakelijk beschikt, om de verdediging van de wettigheid van de bestreden handeling op bevredigende wijze te regelen.
B.12. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord".


Zie ook eerdere blogberichten hier en hier.