15/02/2014

Ratificerend 'vergunningsdecreet' doorstaat toets Grondwettelijk Hof niet

De Waalse decreetgever heetf getracht enkele zgn. vergunningen van algemeen belang - betrekking hebbende op de luchthaven van Gosselies - bij decreet te 'ratificeren'.

Het Grondwettelijk Hof vernietigt het vergunningsdecreet van 17 juli 2008 met arrest nr. 29/2014 van 13 februari 2014:

' B.5.3. De bekrachtigingen vervat in de artikelen 7 tot 9 van het bestreden decreet verlenen retroactief kracht van wet aan enkele specifieke vergunningen die door de administratieve overheid werden verleend. Die bepalingen hebben dus tot gevolg dat ze aan de Raad van State de beroepen tot nietigverklaring onttrekken die tegen die vergunningen zijn ingesteld. Enkel het Grondwettelijk Hof is bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot vernietiging of een vordering tot schorsing ervan.

 Het Hof is echter niet bevoegd om een exhaustieve materiële en formele toetsing uit te voeren van de handelingen ter voorbereiding van de bekrachtiging of de aanneming van de in het geding zijnde vergunningen, zelfs aan de regels van internationaal en Europees recht die vervat zijn in het Verdrag van Aarhus of in de richtlijn 85/337/EEG.

Hoewel het Hof, via de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, erop toeziet dat de wetgever zijn verplichting van voorafgaande aanmelding bij de Europese Commissie in acht neemt, kan het, wanneer de schending van die verplichting, ten aanzien van het recht van de Europese Unie, een fundamentele procedurefout vormt, de bevoegdheden die door de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan het Hof werden toegewezen, niet uitbreiden zodat ze een dergelijke formele toetsing overstijgen, en zelf de materiële toetsing uitvoeren van de
inachtneming van de procedureregels in milieuaangelegenheden die voorafgaan aan de aanneming van de bestreden wetgevingshandeling.

 B.5.4. De omvang van de toetsing door het Grondwettelijk Hof kan bijgevolg niet worden gelijkgesteld met die van de toetsing door de Raad van State, zodat de bevoegdheid van het Hof zoals die voortvloeit uit de Grondwet en uit de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, niet volstaat om te voldoen aan de vereisten inzake rechterlijke toetsing, wanneer de projecten binnen de werkingssfeer van het Verdrag van Aarhus en van de richtlijn 85/337/EEG vallen.

 B.6.1. De categorie van burgers aan wie die vergunningen nadeel berokkenen, wordt dus op verschillende wijze behandeld ten opzichte van de andere burgers wat de jurisdictionele waarborg betreft die bij artikel 159 van de Grondwet, artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (met name in het kader van de bij de artikelen 6, 8 en 14 ervan gewaarborgde rechten) en bij artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is toegekend, aangezien die vergunningen niet meer het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep tot nietigverklaring voor een rechter die, zoals de Raad van State, beschikt over een toetsingsbevoegdheid die zich uitstrekt tot zowel de grond van de bestreden vergunning als de procedure voorafgaand aan de aanneming ervan.

Een dergelijk verschil in behandeling is discriminerend, behalve indien het op een wettige doelstelling berust en redelijk is verantwoord.

(...)

B.9. Hoewel het Hof in beginsel niet bevoegd is om, al was het maar via zijn toetsing van de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de parlementaire procedure te controleren aan het eind waarvan een wetgevingshandeling werd aangenomen, dient te worden vastgesteld dat in het onderhavige geval de bevoegdheid om rekening te houden « zowel met de inhoud van de wetgevingshandeling als met de volledige wetgevingsprocedure die tot de vaststelling ervan heeft geleid, in het bijzonder met de
voorbereidende handelingen en de parlementaire debatten » (HvJ, 16 februari 2012, C-182/10, Solvay e.a., punt 41) voortvloeit uit de noodzaak de werkingssfeer van de in B.5.1 en B.5.2 vermelde vereisten van het recht van de Europese Unie te bepalen.

 Die controle kan dus noch met een materiële toetsing, noch met een procedurele toetsing van de grondwettigheid van wetskrachtige bepalingen worden gelijkgesteld, maar vormt een voorafgaand onderzoek, opgelegd bij het recht van de Europese Unie, van de kwalificatie van de bestreden wetgevingshandeling.

B.10.1. Zoals het Hof in zijn arrest nr. 30/2010 heeft opgemerkt, werd tijdens de aanneming van de artikelen 5 tot 17 van het bestreden decreet aan de parlementsleden slechts een beperkte rol gegeven. Uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet blijkt dat hun stem het bestaan van die vergunningen, dat losstaat van de bekrachtiging, niet in het gedrang kon brengen. Het was de parlementsleden overigens verboden de vergunningsaanvraag opnieuw te onderzoeken of de vergunning te wijzigen (Parl. St., Waals
Parlement, 2007-2008, nr. 805/5, p. 36). Er werd hun enkel gevraagd zich uit te spreken over het bestaan van een « gewestelijk belang » of van een « aanzienlijk belang » voor het Waalse Gewest (ibid., pp. 6 en 31).

Uit het onderzoek van de parlementaire voorbereiding blijkt dat de parlementsleden zich klaarblijkelijk ertoe hebben beperkt de aan de vergadering voorgelegde projecten zuiver en eenvoudig te « ratificeren », zodat die bepalingen, daar zij noch de vereisten inzake rechterlijke toetsing die zijn vermeld in B.5.1 en B.5.2, noch de voorwaarden inzake een specifieke wetgevingshandeling die in herinnering zijn gebracht in B.7 in acht nemen, dus een schending inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1, lid 5, en 10bis van de richtlijn 85/337/EEG.

B.10.2. Die vaststelling doet geen afbreuk aan het bestaan van een recht van daadwerkelijk beroep, in de zin van artikel 10bis van de voormelde richtlijn 85/337/EEG of van artikel 11 van de voormelde richtlijn 2001/92/EU, tegen de vergunningen die het voorwerp hebben uitgemaakt of hebben kunnen uitmaken van een decretale bekrachtiging vermits het, aangezien de bestreden artikelen moeten worden vernietigd, aan de Raad van State toekomt toe te zien op de formele en materiële wettigheid van die vergunningen.

 B.11. Het middel is gegrond.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht, Legislatieve validatie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/12/2013

Voorrangsregeling herstelvorderingen in VCRO doorstaat toets van Grondwettelijk Hof

Bij vonnis van 1 februari 2013 heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

'Schendt artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 2° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening artikel 23 van de Grondwet doordat deze bepaling voorschrijft dat voor andere misdrijven dan deze die bestaan, of ondermeer bestaan, uit het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen (voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken), de betaling van de meerwaarde wordt gevorderd, tenzij de overheid die de herstelvordering instelt aantoont dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, in welk geval het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, de staking van het strijdige gebruik of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken wordt gevorderd, hetgeen een aanzienlijke vermindering zou inhouden van het beschermingsniveau van het leefmilieu ten aanzien van de voorheen bestaande regels ?.' 

Ziehier het antwoord van het Grondwettelijk Hof in het arrest  nr. 177/2013  van 19 december 2013:

'B.3. De prejudiciële vraag heeft betrekking op paragraaf 1, eerste lid, 2°, die van toepassing is op andere misdrijven dan degene die bestaan, of onder meer bestaan, in het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken. Voor die andere misdrijven wordt in beginsel de betaling van een geldsom gevorderd, gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Slechts wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, kan het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken worden gevorderd. Dat is meer bepaald het geval wanneer de overheid die de herstelvordering instelt, aantoont dat de plaatselijke ordening door de betaling van de meerwaarde kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad. 

Vóór 1 september 2009 kon de herstelvorderende overheid in alle gevallen, zonder dat bepaalde voorwaarden dienden te zijn vervuld, het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken vorderen. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de beperking van de keuzevrijheid van de herstelvorderende overheid, als gevolg van de in het geding zijnde bepaling, artikel 23 van de Grondwet schendt.B.4. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : 

 « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. 

 Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. 

 Die rechten omvatten inzonderheid : 

[…] 

 4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; 

[…] »

B.5. Artikel 23 van de Grondwet impliceert inzake de bescherming van het leefmilieu een standstill-verplichting, die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. 

B.6. De beperking van de keuzevrijheid van de herstelvorderende overheid tot, in beginsel, het vorderen van een geldsom, gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen, geldt om te beginnen niet voor de misdrijven die bestaan, of onder meer bestaan, in het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken. 

Voor de overige misdrijven dient in beginsel de betaling van de meerwaarde te worden gevorderd. Die maatregel kan echter niet worden opgelegd wanneer de herstelvorderende overheid « aantoont dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad ». In dat geval wordt het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken gevorderd. 

B.7. De voormelde voorwaarden waarmee de decreetgever de beperking van de keuzevrijheid van de herstelvorderende overheid heeft omringd, nopen tot de vaststelling dat de bescherming van het leefmilieu, met inbegrip van de goede ordening van de ruimte, door de in het geding zijnde bepaling niet in aanzienlijke mate wordt verminderd. 

Wanneer immers de herstelvorderende overheid niet erin slaagt aan te tonen, onder het toezicht van de rechtbank die de herstelmaatregel oplegt, dat de plaatselijke ordening door de loutere betaling van de meerwaarde kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de goede ruimtelijke ordening volgens « elke normaal zorgvuldige beoordelaar » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2011/1, p. 282) door de laatstgenoemde herstelmaatregel niet in het gedrang komt. 

Bij de beoordeling van de herstelmaatregel dient evenwel in rekening te worden gebracht, zoals de eisende partij voor de verwijzende rechter doet gelden, dat een inbreuk die op zichzelf niet zo ernstig is dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, toch kan bijdragen tot een kennelijk onevenredige schade in zoverre zij anderen tot dezelfde inbreuk aanzet. 

B.8. Voorts heeft de decreetgever enkel een regeling getroffen voor de publieke herstelvordering en heeft hij derhalve geen afbreuk gedaan aan de rechten van personen om de schade die zij zouden lijden, bijvoorbeeld als eigenaar van een aanpalend perceel, te doen ophouden door een herstel in natura of minstens om zich te doen vergoeden voor situaties die een quasi-delictuele fout blijven uitmaken. 

B.9. Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de decreetgever beschikt bij het bepalen van zijn beleid op het vlak van de stedenbouw en ruimtelijke ordening, is het niet zonder redelijke verantwoording de keuzevrijheid van de herstelvorderende overheid te beperken tot het betalen van de meerwaarde wanneer aan de in de in het geding zijnde bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. 

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord'. 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk recht, Handhaving stedenbouw, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/11/2013

Grondwettelijk Hof vernietigt bepalingen inzake 'Wonen in eigen streek' en 'Sociale lasten' uit het Grond- en Pandenbeleiddecreet

Met twee arresten van 7 november 2013 heeft het Grondwettelijk Hof belangrijke onderdelen uit het Grond- en Pandenbeleiddecreet vernietigd.

Bij arrest nr. 145/2013 vernietigt het Grondwettelijk Hof het integrale hoofdstuk 3 van titel 1 van boek 4 van het Grond- en Pandenbeleiddecreet. Dit hoofdstuk bevat de regeling inzake sociale lasten. Hiermee wordt een belangrijke pijler van het Grond- en Pandenbeleid onderuit gehaald. Via het van rechtswege opleggen van deze sociale lasten in stedenbouwkundige en verkavelingsvergunningen werd immers de verwezenlijking van een sociaal woonaanbod beoogd.

De bepalingen inzake sociale lasten in het kader van de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod (hoofdstuk 2 van titel 2 van boek 4) blijven onverminderd gelden.

Gelet op de terugwerkende kracht van de vernietiging opent dit perspectieven voor degene wiens project onderworpen was aan een sociale last om de gemaakte kosten en uitgaven om aan deze last te voldoen terug te vorderen van het Vlaamse gewest.

Bij arrest nr. 144/2013 werd dan weer boek 5 van het Grond- en Pandenbeleiddecreet vernietigd. dit boek 5 bevat maatregelen om het wonen in eigen streek te stimuleren.Lees hier het artikel op onze blog Grondwettelijk recht.

Gepost door Günther L'heureux

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Grond & Pandendecreet, Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht, Günther L'heureux, Lokale besturen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/08/2013

Grondwettelijk Hof vernietigt het validerende artikel 7.4.1/2 VCRO

Op rechtstreeks vernietigingsberoep heeft het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 114/2013 van 31 juli 2013 uitspraak gedaan over de verenigbaarheid van het validerende artikel 7.4.1/2 VCRO met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel.

Artikel 7.4.1/2 luidt als volgt:

‘§1. De gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden geldig verklaard met ingang van de datum van inwerkingtreding ervan. De geldigverklaring is beperkt tot de schending van het gelijkheidsbeginsel, doordat het definitief vastgestelde plan tot stand gekomen is met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage over een ruimtelijk uitvoeringsplan. Dat besluit zou een onverantwoorde ongelijke behandeling inhouden van personen die wensen betrokken te worden bij de publieke consultatie over de inhoudsafbakening van een plan-MER voor een ruimtelijk uitvoeringsplan dat wordt opgemaakt volgens de regels die gelden wanneer het integratiespoor wordt gevolgd, en de personen die wensen betrokken te worden bij de publieke consultatie over een plan-MER volgens de algemene regeling. De geldigverklaring geldt voor gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen waarvoor de beslissing van de dienst Mer over de volledigheid van de nota voor publieke consultatie genomen werd vóór de inwerkingtreding van dit artikel. De geldigverklaring geldt tot het tijdstip van de inwerkingtreding van een ruimtelijk uitvoeringsplan dat, voor het gebied waarop het betrekking heeft, het geldig verklaarde ruimtelijke uitvoeringsplan vervangt.

§ 2. De Vlaamse Regering is ertoe gemachtigd de besluiten houdende definitieve vaststelling van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen die volgens een vernietigingsarrest van de Raad van State aangetast zijn door een schending, vermeld in § 1, voor de toekomst ongewijzigd vast te stellen voor de percelen waarop het arrest betrekking heeft.
De provincieraad is ertoe gemachtigd de besluiten houdende definitieve vaststelling van provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen die volgens een vernietigingsarrest van de Raad van State aangetast zijn door een schending, vermeld in § 1, voor de toekomst ongewijzigd vast te stellen voor de percelen waarop het arrest betrekking heeft. De Vlaamse Regering is er tevens toe gemachtigd deze besluiten opnieuw goed te keuren.’

Het Grondwettelijk Hof vernietigde deze validerende bepaling op grond van hiernavolgende motivering:
‘B.7. De voorliggende beroepen tot vernietiging bewijzen dat, hoewel het optreden van de decreetgever de verzoekende partijen verhindert om het door de Raad van State onwettig bevonden Integratiespoorbesluit buiten toepassing te doen laten in zoverre het de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, dat optreden hun evenwel niet het recht ontzegt de ongrondwettigheid van het decreet waarmee wordt beoogd de gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen onvatbaar te maken voor de onwettigheid waardoor zij zijn aangetast, hetzij door die plannen geldig te verklaren (§ 1), hetzij door te machtigen die plannen ongewijzigd opnieuw vast te stellen wanneer zij reeds door de Raad van State zijn vernietigd (§ 2), aan het Hof voor te leggen. Doordat het Hof een gelijkwaardige toetsing aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet uitoefent, doet de bestreden bepaling geen verschil in behandeling inzake jurisdictionele waarborgen ontstaan.
B.8. Anders dan de Vlaamse Regering betoogt, betreft de bestreden bepaling geen validatie van een louter vormgebrek. De bestreden bepaling bestendigt het door de Raad van State vastgestelde verschil in behandeling, wat de mogelijkheid tot inspraak over de inhoudsafbakening van een plan-MER voor een ruimtelijk uitvoeringsplan betreft, naargelang de procedure van het Integratiespoorbesluit of de algemene procedure wordt gevolgd. De mogelijkheid tot inspraak betreffende ruimtelijke uitvoeringsplannen, waartoe de decreetgever zich met de goedkeuring van het Verdrag van Aarhus « betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden » heeft verbonden, betreft geen louter vormvereiste. Zij biedt een waarborg voor de vrijwaring van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu en een goede ruimtelijke ordening (artikel 23, derde lid, 4°, van de Grondwet) en voor de duurzame ontwikkeling die de decreetgever dient na te streven (artikel 7bis van de Grondwet). De inspraakregeling dient de betrokkenen een effectieve mogelijkheid te bieden om hun opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken zodat de bestuursorganen daarmee naar behoren rekening kunnen houden. De bestendiging van het voormelde verschil in behandeling dient, zoals het verschil in behandeling zelf, bestaanbaarte zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.


B.9. In de parlementaire voorbereiding wordt de bestreden bepaling als volgt verantwoord:

« Zonder het belang te willen minimaliseren van de verplichting om elke ongelijke  behandeling te weren bij de totstandkoming van regelgeving, moet worden gesteld dat de […] mogelijke nasleep van een door de Raad van State vastgestelde ongelijke behandeling niet in verhouding staat tot de door de Raad van State in het arrest van 12 augustus 2011 weerhouden ongelijke behandeling. Elk gemeentelijk, provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en elke beslissing die steunt op een ruimtelijk uitvoeringsplan dat is tot stand gekomen na een procedure waarbij toepassing werd gemaakt van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage, kan, door middel van een beroep op artikel 159 van de Grondwet, in het geding worden gebracht. De ruimtelijke ordening zoals ze is uitgetekend in de gemeentelijke, provinciale en gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt door de beweerde onwettigheid van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage ernstig gehypothekeerd.

Een mogelijke manier om de ontstane rechtsonzekerheid te verhelpen, zou erin bestaan geen stedenbouwkundige vergunningen of milieuvergunningen meer te verlenen voor bouwwerken of bedrijven die mogelijk gemaakt werden door gemeentelijke, provinciale of gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, in afwachting dat die plannen kunnen worden bevestigd na een volledige herneming van de goedkeuringsprocedure, ditmaal met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2007 betreffende milieueffectrapportage. De herneming van al die goedkeuringsprocedures waarin nochtans een milieueffectbeoordeling werd uitgevoerd, zou zeer tijdrovend zijn, zeer veel mankracht vergen en zeer hoge maatschappelijke kosten met zich meebrengen, terwijl de baten voor het leefmilieu onzeker zijn.

[…]
De enige manier om de rechtsonzekerheid zonder aanzienlijke vertraging en zonder al te hoge kosten te verhelpen, is een ingrijpen van de decreetgever. Deze regeling is verantwoord omdat de gevalideerde ongelijke behandeling niet opweegt tegen de ernstige en langdurige impact die de effectieve of potentiële nietigverklaring van bovenvermelde plannen, door het cascade-effect ervan op de geldigheid van andere plannen en vergunningen, heeft op het beleid inzake Ruimtelijke Ordening, de openbare rust en het economische klimaat, en dat zowel vanuit het oogpunt van een behoorlijke overheidswerking als op het vlak van de rechtszekerheid van de burgers. Tevens wordt erop gewezen dat de regeling niet het ongedaan maken of de beïnvloeding van een werkzame rechtsbescherming tot doel heeft, en dat de invloed die ze daarop niettemin heeft, gezien de afbakening van haar toepassingsgebied, beperkt blijft.

De regeling in de eerste paragraaf is preventief. Door de geldigverklaring van de goedgekeurde en vastgestelde ruimtelijke uitvoeringsplannen wordt verhinderd dat in de toekomst nog een middel tot nietigverklaring of een exceptie van onwettigheid, op basis van artikel 159 van de Grondwet en ontleend aan de schending van het gelijkheidsbeginsel voortvloeiend uit de toepassing van het besluit van 18 april 2008 betreffende het integratiespoor voor de milieueffectrapportage, gegrond wordt verklaard. De validatie wordt daartoe beperkt. De Raad van State en de burgerlijke rechter blijven met andere woorden bevoegd om zich uit te spreken over elke andere onregelmatigheid die tegen een gemeentelijk, provinciaal of gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt aangevoerd. Alleen de schending van het gelijkheidsbeginsel voortvloeiend uit de toepassing van het besluit van 18 april 2008 wordt afgedekt


De tweede paragraaf van dit artikel is remediërend. De Vlaamse Regering, de provincieraad en de gemeenteraad worden bevoegd verklaard om een ruimtelijk uitvoeringsplan dat volgens een vernietigingsarrest van de Raad van State door het bedoelde vormgebrek is aangetast, voor de toekomst opnieuw ongewijzigd vast te stellen voor de percelen waarop het arrest betrekking heeft » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2011-2012, nr. 1494/1, pp. 19-20).
B.10. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de bestreden bepaling werd aangenomen om de rechtsonzekerheid die het gevolg zou zijn van een arrest van de Raad van State weg te nemen en om het tijdverlies en de hoge kosten die het opnieuw goedkeuren van de ruimtelijke uitvoeringsplannen met zich zou meebrengen, te vermijden. Die dwingende motieven van algemeen belang kunnen te dezen niet verantwoorden dat op discriminerende wijze afbreuk wordt gedaan aan de rechten van de betrokken belanghebbenden. Weliswaar vermag de decreetgever ruimtelijke uitvoeringsplannen onvatbaar te maken voor de onwettigheid waardoor zij zijn aangetast, hetzij door die plannen geldig te verklaren, hetzij door te machtigen die plannen ongewijzigd opnieuw vast te stellen wanneer zij reeds door de Raad van State zijn vernietigd, maar een dergelijke validatie kan, wanneer zij niet louter een vormgebrek betreft, slechts als uiterste redmiddel worden aangewend In het voorliggende geval wordt niet aangetoond dat het opnieuw goedkeuren, door de bevoegde overheden, van de ruimtelijke uitvoeringsplannen die op onwettige wijze tot stand zijn gekomen, nadat de betrokkenen een effectieve mogelijkheid werd geboden om hun opmerkingen en bezwaren kenbaar te maken over de inhoudsafbakening van een plan-MER voor een ruimtelijk uitvoeringsplan, of het voorzien in een afwijkende procedure, door de decreetgever, waarin dezelfde mogelijkheid voor de betrokken personen wordt gewaarborgd, onmogelijk of uiterst moeilijk zou zijn.
B.11. Zoals de Raad van State, stelt het Hof vast dat het verschil in behandeling van de categorieën van personen die aan de ene of de andere procedure zijn onderworpen niet redelijk kan worden verantwoord aangezien daardoor op onevenredige wijze afbreuk wordt gedaan aan de mogelijkheid tot inspraak van bepaalde belanghebbenden bij de totstandkoming van de betrokken ruimtelijke uitvoeringsplannen.
B.12. De bestreden bepaling schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.’
Lees hier het bericht op onze blog Grondwettelijk recht.Lees hier het bericht op onze blog Grondwettelijk recht.