13/11/2014

BTW-plicht advocaten van Grondwettelijk Hof naar Hof van Justitie

Het Grondwettelijk Hof, gevat door diverse vernietigingsberoepen tegen de invoering van de BTW-plicht van advocaten, schuift in het arrest nr. 165/2014 van 13 november 2014 de hete aardappel door naar het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg en stelt diverse prejudiciële vragen.  Lees hier het verwijzingsarrest.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht, Hof van Justitie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
30/06/2014

Voortzettingsregeling Raad voor Vergunningsbetwistingen vernietigd

Met arrest nr. 98/2014 van 30 juni 2012 doet het Grondwettelijk Hof uitspraak over het beroep tot vernietiging tegen een aantal nieuwigheden ingevoerd door het decreet van 6 juli 2012 houdende de wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, wat de Raad voor Vergunningsbetwistingen betreft.

Doorstaat de ‘vereenvoudigde behandelingen’ van artikel 4.8.14 VCRO de toets van de Raad van State, dan is dit niet het geval voor wat betreft de verplichting tot voortzetting van de procedure in artikel 4.8.19 VCRO.

De nieuwe bepaling luidde als volgt:

'Art. 4.8.19. Wanneer de Raad de bestreden beslissing geschorst heeft, moet de verweerder of tussenkomende partij een verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen. Indien geen verzoek tot voortzetting wordt ingediend, kan de Raad volgens een versnelde rechtspleging vastgesteld door de Vlaamse Regering de bestreden beslissing vernietigen.
Heeft de Raad de bestreden beslissing niet geschorst, dan moet de verzoeker een verzoek tot voortzetting indienen binnen een vervaltermijn van vijftien dagen. Dient hij geen verzoek tot voortzetting in, dan geldt ten aanzien van hem een onweerlegbaar vermoeden van afstand van geding.
De termijn van vijftien dagen gaat in de dag na de betekening van het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over de schorsing'.

Het Grondwettelijk Hof beslist:

‘B.10.1. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de decreetgever, door het invoeren van een bijkomende « hakbijl »-procedure waarvan de inachtneming gemakkelijk kan worden nagegaan door de Raad voor Vergunningsbetwistingen, een wettig doel nastreeft, namelijk ten gronde het onderzoek van de Raad voor Vergunningsbetwistingen beperken tot uitsluitend de vorderingen die na een eerste onderzoek in de schorsingsprocedure voor vernietiging vatbaar blijken te zijn (artikel 4.8.3 van de VCRO). 

Het Hof dient evenwel erover te waken dat de bestreden maatregel niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter, met name gezien de gevolgen die de schending ervan kan teweegbrengen voor de situatie van de gedingvoerende partijen. 

B.10.2. Een vervaltermijn van vijftien dagen, die ingaat de dag na de dag van de betekening van het schorsingsarrest, verplicht de betrokken partijen een heel actieve houding aan te nemen gedurende de procedure voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Niettegenstaande aan die partijen enkel een formeel verzoek tot voortzetting wordt gevraagd, zonder inhoudelijke standpunten, zou een dermate korte vervaltermijn afbreuk kunnen doen aan de rechten van de verdediging indien hij hen niet in staat stelt op bevredigende wijze overleg te plegen met hun advocaat; hij vormt in elk geval geen relevante maatregel in het licht van het door de decreetgever nagestreefde doel, aangezien de korte duur van de termijn de partijen ertoe kan brengen steeds een verzoek tot voortzetting in te dienen, waardoor het nut van de « hakbijl »-procedure verdwijnt.

Hierop vernietigt het Grondwettelijk Hof in artikel 4.8.19 telkenmale de woorden ’15 dagen’.

Op heden geldt nog steeds een verplichting tot voortzetting, maar deze is niet aan termijnen gebonden en daardoor doelloos.  Ongetwijfeld zal de decreetgever ingrijpen door een langere voortzettingstermijn toe te staan. Bijvoorbeeld, 30 dagen.

Lees hier het bericht op onze blog Grondwettelijk recht.Lees hier het bericht op onze blog Grondwettelijk recht.
15/02/2014

Ratificerend 'vergunningsdecreet' doorstaat toets Grondwettelijk Hof niet

De Waalse decreetgever heetf getracht enkele zgn. vergunningen van algemeen belang - betrekking hebbende op de luchthaven van Gosselies - bij decreet te 'ratificeren'.

Het Grondwettelijk Hof vernietigt het vergunningsdecreet van 17 juli 2008 met arrest nr. 29/2014 van 13 februari 2014:

' B.5.3. De bekrachtigingen vervat in de artikelen 7 tot 9 van het bestreden decreet verlenen retroactief kracht van wet aan enkele specifieke vergunningen die door de administratieve overheid werden verleend. Die bepalingen hebben dus tot gevolg dat ze aan de Raad van State de beroepen tot nietigverklaring onttrekken die tegen die vergunningen zijn ingesteld. Enkel het Grondwettelijk Hof is bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot vernietiging of een vordering tot schorsing ervan.

 Het Hof is echter niet bevoegd om een exhaustieve materiële en formele toetsing uit te voeren van de handelingen ter voorbereiding van de bekrachtiging of de aanneming van de in het geding zijnde vergunningen, zelfs aan de regels van internationaal en Europees recht die vervat zijn in het Verdrag van Aarhus of in de richtlijn 85/337/EEG.

Hoewel het Hof, via de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, erop toeziet dat de wetgever zijn verplichting van voorafgaande aanmelding bij de Europese Commissie in acht neemt, kan het, wanneer de schending van die verplichting, ten aanzien van het recht van de Europese Unie, een fundamentele procedurefout vormt, de bevoegdheden die door de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan het Hof werden toegewezen, niet uitbreiden zodat ze een dergelijke formele toetsing overstijgen, en zelf de materiële toetsing uitvoeren van de
inachtneming van de procedureregels in milieuaangelegenheden die voorafgaan aan de aanneming van de bestreden wetgevingshandeling.

 B.5.4. De omvang van de toetsing door het Grondwettelijk Hof kan bijgevolg niet worden gelijkgesteld met die van de toetsing door de Raad van State, zodat de bevoegdheid van het Hof zoals die voortvloeit uit de Grondwet en uit de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, niet volstaat om te voldoen aan de vereisten inzake rechterlijke toetsing, wanneer de projecten binnen de werkingssfeer van het Verdrag van Aarhus en van de richtlijn 85/337/EEG vallen.

 B.6.1. De categorie van burgers aan wie die vergunningen nadeel berokkenen, wordt dus op verschillende wijze behandeld ten opzichte van de andere burgers wat de jurisdictionele waarborg betreft die bij artikel 159 van de Grondwet, artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (met name in het kader van de bij de artikelen 6, 8 en 14 ervan gewaarborgde rechten) en bij artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is toegekend, aangezien die vergunningen niet meer het voorwerp kunnen uitmaken van een beroep tot nietigverklaring voor een rechter die, zoals de Raad van State, beschikt over een toetsingsbevoegdheid die zich uitstrekt tot zowel de grond van de bestreden vergunning als de procedure voorafgaand aan de aanneming ervan.

Een dergelijk verschil in behandeling is discriminerend, behalve indien het op een wettige doelstelling berust en redelijk is verantwoord.

(...)

B.9. Hoewel het Hof in beginsel niet bevoegd is om, al was het maar via zijn toetsing van de bestaanbaarheid met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de parlementaire procedure te controleren aan het eind waarvan een wetgevingshandeling werd aangenomen, dient te worden vastgesteld dat in het onderhavige geval de bevoegdheid om rekening te houden « zowel met de inhoud van de wetgevingshandeling als met de volledige wetgevingsprocedure die tot de vaststelling ervan heeft geleid, in het bijzonder met de
voorbereidende handelingen en de parlementaire debatten » (HvJ, 16 februari 2012, C-182/10, Solvay e.a., punt 41) voortvloeit uit de noodzaak de werkingssfeer van de in B.5.1 en B.5.2 vermelde vereisten van het recht van de Europese Unie te bepalen.

 Die controle kan dus noch met een materiële toetsing, noch met een procedurele toetsing van de grondwettigheid van wetskrachtige bepalingen worden gelijkgesteld, maar vormt een voorafgaand onderzoek, opgelegd bij het recht van de Europese Unie, van de kwalificatie van de bestreden wetgevingshandeling.

B.10.1. Zoals het Hof in zijn arrest nr. 30/2010 heeft opgemerkt, werd tijdens de aanneming van de artikelen 5 tot 17 van het bestreden decreet aan de parlementsleden slechts een beperkte rol gegeven. Uit de parlementaire voorbereiding van het bestreden decreet blijkt dat hun stem het bestaan van die vergunningen, dat losstaat van de bekrachtiging, niet in het gedrang kon brengen. Het was de parlementsleden overigens verboden de vergunningsaanvraag opnieuw te onderzoeken of de vergunning te wijzigen (Parl. St., Waals
Parlement, 2007-2008, nr. 805/5, p. 36). Er werd hun enkel gevraagd zich uit te spreken over het bestaan van een « gewestelijk belang » of van een « aanzienlijk belang » voor het Waalse Gewest (ibid., pp. 6 en 31).

Uit het onderzoek van de parlementaire voorbereiding blijkt dat de parlementsleden zich klaarblijkelijk ertoe hebben beperkt de aan de vergadering voorgelegde projecten zuiver en eenvoudig te « ratificeren », zodat die bepalingen, daar zij noch de vereisten inzake rechterlijke toetsing die zijn vermeld in B.5.1 en B.5.2, noch de voorwaarden inzake een specifieke wetgevingshandeling die in herinnering zijn gebracht in B.7 in acht nemen, dus een schending inhouden van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 1, lid 5, en 10bis van de richtlijn 85/337/EEG.

B.10.2. Die vaststelling doet geen afbreuk aan het bestaan van een recht van daadwerkelijk beroep, in de zin van artikel 10bis van de voormelde richtlijn 85/337/EEG of van artikel 11 van de voormelde richtlijn 2001/92/EU, tegen de vergunningen die het voorwerp hebben uitgemaakt of hebben kunnen uitmaken van een decretale bekrachtiging vermits het, aangezien de bestreden artikelen moeten worden vernietigd, aan de Raad van State toekomt toe te zien op de formele en materiële wettigheid van die vergunningen.

 B.11. Het middel is gegrond.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Grondwettelijk recht, Legislatieve validatie
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/12/2013

Voorrangsregeling herstelvorderingen in VCRO doorstaat toets van Grondwettelijk Hof

Bij vonnis van 1 februari 2013 heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :

'Schendt artikel 6.1.41, § 1, eerste lid, 2° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening artikel 23 van de Grondwet doordat deze bepaling voorschrijft dat voor andere misdrijven dan deze die bestaan, of ondermeer bestaan, uit het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen (voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken), de betaling van de meerwaarde wordt gevorderd, tenzij de overheid die de herstelvordering instelt aantoont dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, in welk geval het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand, de staking van het strijdige gebruik of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken wordt gevorderd, hetgeen een aanzienlijke vermindering zou inhouden van het beschermingsniveau van het leefmilieu ten aanzien van de voorheen bestaande regels ?.' 

Ziehier het antwoord van het Grondwettelijk Hof in het arrest  nr. 177/2013  van 19 december 2013:

'B.3. De prejudiciële vraag heeft betrekking op paragraaf 1, eerste lid, 2°, die van toepassing is op andere misdrijven dan degene die bestaan, of onder meer bestaan, in het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken. Voor die andere misdrijven wordt in beginsel de betaling van een geldsom gevorderd, gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen. Slechts wanneer aan bepaalde voorwaarden is voldaan, kan het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken worden gevorderd. Dat is meer bepaald het geval wanneer de overheid die de herstelvordering instelt, aantoont dat de plaatselijke ordening door de betaling van de meerwaarde kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad. 

Vóór 1 september 2009 kon de herstelvorderende overheid in alle gevallen, zonder dat bepaalde voorwaarden dienden te zijn vervuld, het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken vorderen. De prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of de beperking van de keuzevrijheid van de herstelvorderende overheid, als gevolg van de in het geding zijnde bepaling, artikel 23 van de Grondwet schendt.B.4. Artikel 23 van de Grondwet bepaalt : 

 « Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. 

 Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. 

 Die rechten omvatten inzonderheid : 

[…] 

 4° het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu; 

[…] »

B.5. Artikel 23 van de Grondwet impliceert inzake de bescherming van het leefmilieu een standstill-verplichting, die eraan in de weg staat dat de bevoegde wetgever het beschermingsniveau dat wordt geboden door de van toepassing zijnde wetgeving in aanzienlijke mate vermindert, zonder dat daarvoor redenen zijn die verband houden met het algemeen belang. 

B.6. De beperking van de keuzevrijheid van de herstelvorderende overheid tot, in beginsel, het vorderen van een geldsom, gelijk aan de meerwaarde die het goed door het misdrijf heeft verkregen, geldt om te beginnen niet voor de misdrijven die bestaan, of onder meer bestaan, in het verrichten van handelingen in strijd met een stakingsbevel of in strijd met de stedenbouwkundige voorschriften aangaande de voor het gebied toegelaten bestemmingen, voor zover daarvan niet op geldige wijze is afgeweken. 

Voor de overige misdrijven dient in beginsel de betaling van de meerwaarde te worden gevorderd. Die maatregel kan echter niet worden opgelegd wanneer de herstelvorderende overheid « aantoont dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad ». In dat geval wordt het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand of de uitvoering van bouw- of aanpassingswerken gevorderd. 

B.7. De voormelde voorwaarden waarmee de decreetgever de beperking van de keuzevrijheid van de herstelvorderende overheid heeft omringd, nopen tot de vaststelling dat de bescherming van het leefmilieu, met inbegrip van de goede ordening van de ruimte, door de in het geding zijnde bepaling niet in aanzienlijke mate wordt verminderd. 

Wanneer immers de herstelvorderende overheid niet erin slaagt aan te tonen, onder het toezicht van de rechtbank die de herstelmaatregel oplegt, dat de plaatselijke ordening door de loutere betaling van de meerwaarde kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de goede ruimtelijke ordening volgens « elke normaal zorgvuldige beoordelaar » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2008-2009, nr. 2011/1, p. 282) door de laatstgenoemde herstelmaatregel niet in het gedrang komt. 

Bij de beoordeling van de herstelmaatregel dient evenwel in rekening te worden gebracht, zoals de eisende partij voor de verwijzende rechter doet gelden, dat een inbreuk die op zichzelf niet zo ernstig is dat de plaatselijke ordening hierdoor kennelijk op onevenredige wijze zou worden geschaad, toch kan bijdragen tot een kennelijk onevenredige schade in zoverre zij anderen tot dezelfde inbreuk aanzet. 

B.8. Voorts heeft de decreetgever enkel een regeling getroffen voor de publieke herstelvordering en heeft hij derhalve geen afbreuk gedaan aan de rechten van personen om de schade die zij zouden lijden, bijvoorbeeld als eigenaar van een aanpalend perceel, te doen ophouden door een herstel in natura of minstens om zich te doen vergoeden voor situaties die een quasi-delictuele fout blijven uitmaken. 

B.9. Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover de decreetgever beschikt bij het bepalen van zijn beleid op het vlak van de stedenbouw en ruimtelijke ordening, is het niet zonder redelijke verantwoording de keuzevrijheid van de herstelvorderende overheid te beperken tot het betalen van de meerwaarde wanneer aan de in de in het geding zijnde bepaling gestelde voorwaarden is voldaan. 

B.10. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord'. 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk recht, Handhaving stedenbouw, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht