06/05/2015

Bevoegdheidsdelegatie aan Vlaamse regering in Vlaamse Wooncode niet te ruim

In het arrest nr. 47/2015 van 30 april 2015 beslist het Grondwettelijk Hof dat de bevoegdheidsdelegatie zoals voorzien in artikel 5, §§ 1 en 2 van de Vlaamse Wooncode,  de artikelen 10,11, 12 en 14 van de Grondwet, alsook het wettigheidsbeginsel vervat in artikel 23 van de Grondwet niet schendt. 

In een eerste onderdeel van het eerste middel voerde verzoekende partij aan dat de decreetgever in artikel 5, §§ 1 en 2 van de Vlaamse Wooncode een te ruime delegatie gegeven heeft aan de uitvoerende macht - in casu de Vlaamse regering - voor het omschrijven van het recht op een kwaliteitsvolle, gezond een veilige woning dat bij artikel 23 van de Grondwet is gewaarborgd.

Artikel 5, §§ 1 en 2 van de Vlaamse Wooncode luiden als volgt:

'§1. Elke woning moet op de volgende vlakken voldoen aan de elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten, die door de Vlaamse Regering nader bepaald worden:
1° de oppervlakte van de woongedeelten, rekening houdend met het type van woning en de functie van het woongedeelte;
2° de sanitaire voorzieningen, vooral de aanwezigheid van een goed functionerend toilet in of aansluitend bij de woning en een wasgelegenheid met stromend water, beide aangesloten op een afvoerkanaal zonder geurhinder;
3° de winddichtheid, de thermische isolatie en de verwarmingsmogelijkheden, voor de aanwezigheid van voldoende veilige verwarmingsmiddelen om de woongedeelten met een woonfunctie tot een normale temperatuur te kunnen verwarmen en, indien nodig, te kunnen koelen tegen redelijke energiekosten of de mogelijkheid om die middelen op een veilige manier aan te sluiten;
4° de ventilatie-, verluchtings- en verlichtingsmogelijkheden, waarbij de verlichtingsmogelijkheid van de woongedeelten wordt vastgesteld in relatie tot de functie en de ligging van het woongedeelte en tot de aanwezigheid van kook-, verwarmings- of warmwaterinstallaties die verbrandingsassen produceren;
5° de aanwezigheid van voldoende en veilige elektrische installaties voor verlichting van de woning en voor het veilige gebruik van elektrische apparaten;
6° de gasinstallaties, waarbij zowel de toestellen als de plaatsing en de aansluiting ervan de nodige veiligheidsgaranties bieden;
7° de stabiliteit en de bouwfysica met betrekking tot de fundering, de daken, de buiten- en binnenmuren, de draagvloeren en het timmerwerk;
8° de toegankelijkheid en het respect voor de persoonlijke levenssfeer;
9° de minimale energetische prestaties;
10° de aanwezigheid van drinkbaar water.

Elke woning moet voldoen aan de vereisten van brandveiligheid, met inbegrip van de specifieke en aanvullende veiligheidsnormen die de Vlaamse Regering stelt.

De omvang van de woning moet minstens beantwoorden aan de woningbezetting. De Vlaamse Regering stelt de normen voor de vereiste minimale omvang van de woning vast in relatie tot de gezinssamenstelling.

§2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 stelt de Vlaamse Regering aanvullende vereisten en normen vast voor kamer. De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op de kamers.'

Het Grondwettelijk Hof repliceerde als volgt op het standpunt van verzoekende partij met betrekking tot de 'te ruime' delegatie in artikel 5, §§ 1 en 2 van de Vlaamse Wooncode:

'B.7. Artikel 23, derde lid, 3°, van de Grondwet legt de bevoegde wetgevers de verplichting op om het recht op een behoorlijke huisvesting te waarborgen en stelt hen in staat de voorwaarden te bepalen voor de uitoefening van dat recht. Dat artikel verbiedt niet dat aan een regering machtigingen worden verleend, voor zover die machtigingen betrekking hebben op maatregelen waarvan het "onderwerp" duidelijk is aangegeven door de bevoegde wetgever.

B.8. Door te bepalen dat de kwaliteitsbewaking  van woningen in het Vlaamse Gewest betrekking moet hebben op de "elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten" heeft de decreetgever met het nieuwe artikel 5 van de Vlaamse Wooncode voldoende het onderwerp aangegeven van de maatregelen die inzake het recht op een behoorlijke huisvesting ten uitvoeren dienen te worden gelegd.

Hij heeft daarin ook  bepaald dat elke woning moet voldoen aan de vereisten van brandveiligheid, met inbegrip van de specifieke en aanvullende veiligheidsnormen die de Vlaamse Regering vaststelt, en dat de omvang van de woning minstens moet beantwoorden aan de woningbezetting, waarbij de Vlaamse Regering de normen dient vast te stellen voor de vereiste minimale omvang van de woning in relatie tot de gezinssamenstelling.

Voor het overige kan worden aangenomen dat inzake veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten van woningen en kamers vaak technische normen gelden die voortdurend evolueren met de nieuwe technieken en bouwmaterialen, en dat het derhalve niet aangewezen was in het decreet zelf dergelijke normen te specifiëren.'

Het Grondwettelijk Hof acht de delegatie aan de uitvoerende macht in casu mede verantwoord door de voortdurende evolutie van de technische normen door de ontwikkeling van nieuwe technieken en bouwmaterialen. 

Het Hof besluit zodoende dat er geen schending is van de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet. 

In haar tweede onderdeel van het eerste middel voerde verzoekende partij aan dat artikel 5, §§1 en 2 van de Vlaamse Wooncode tevens het wettigheidsbeginsel vervat in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet schendt doordat de decreetgever er zich toe beperkt de categorieën van voorwaarden voor het verhuur van woningen te bepalen en de invulling van die categorieën verder over te laten aan de uitvoerende macht. 

Verzoekende partij merkte op dat het naleven van die voorwaarden, minstens met oog op verhuring, met straffen afdwingbaar is gesteld in artikel 20 van de Vlaamse Wooncode en klaagt aan dat doordat in artikel 20 van de Vlaamse Wooncode verwezen wordt naar artikel 5 van de Vlaamse Wooncode de strafbaarstelling op essentiële punten aan de uitvoerende macht wordt overgelaten, hetgeen in strijd zou zijn met de bepalingen van de Grondwet. 

Het Grondwettelijk Hof verklaarde ook het tweede onderdeel ongegrond en verwijst hierbij  naar de strafbaarstelling van het niet respecteren van de minimumoppervlakte van kamers en studentenkamers in het bijzonder:

'B.14. Het wettigheidsbeginsel in strafzaken gaat niet zover dat het de decreetgever ertoe verplicht elk aspect van de strafbaarstelling zelf te regelen. Een delegatie aan de uitvoerende macht is niet in strijd met dat beginsel voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de decreetgever zijn vastgesteld.

B.15. In artikel 20, §1, van de Vlaamse Wooncode wordt duidelijk bepaald welke straffen worden gesteld op de gedragingen die de decreetgever strafbaar heeft willen stellen en die verband houden met de doelstelling om te verhuren, het te huur stellen, of ter beschikking stellen met oog op bewoning, te verbieden van woningen die niet voldoen aan de met toepassing van artikel 5 vastgestelde kwaliteitsvereisten.

Weliswaar verwijst het voormelde artikel 20 naar artikel 5 van de Vlaamse Wooncode, dat een reeks delegaties aan de Vlaamse Regering bevat, maar die hebben betrekking op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen voorafgaandelijk door de decreetgever zijn vastgesteld. 

Die essentiële elementen betreffen de "elementaire veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten" voor woningen, met oog op een behoorlijke huisvesting van een ieder. In artikel 5, §1, 1° tot 10°, van de Vlaamse Wooncode, vervangen bij het bestreden artikel 7, is omschreven op welke tien vlakken, en bovendien in welk opzicht, die woonkwaliteitsvereisten door de Vlaamse Regering nader dienen te worden bepaald. 

Met het oog op een meer rationele aanpak en een grotere coherentie tussen de regeling van de Vlaamse Wooncode met betrekking tot woningen en die van het vroegere decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers heeft de decreetgever de laatstgenoemde regeling geïntegreerd in de Vlaamse Wooncode en heeft hij bepaald dat de bepalingen in titel III ("Kwaliteitsbewaking") eveneens van toepassing zijn op kamers, waarbij de Vlaamse Regering de aanvullende vereisten en normen voor kamers dient vast te stellen zonder afbreuk te doen aan de bepalingen van artikel 5, §1, van de Vlaamse Wooncode zoals die gelden voor woningen. 

Hoewel in artikel 8, §1, van het decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers, gewijzigd bij het decreet van 29 april 2011, was bepaald dat studentenkamers - in beginsel en behoudens overgangsmaatregelen - een minimale oppervlakte dienden te hebben, volgt uit het wettigheidsbeginsel in strafzaken niet dat de decreetgever zelf een minimumoppervlakte van woningen in het algemeen of van kamers in het bijzonder diende te bepalen opdat de verhuur van kleinere kamers strafbaar zou kunnen zijn. Hij vermocht het bepalen van de minimale oppervlakte van woningen aan de uitvoerende macht toe te vertrouwen, waarbij hij heeft gepreciseerd dat die daarbij rekening dient te houden met "het type van woning en de functie van het woongedeelte" (artikel 5, §1, 1°, van de Vlaamse Wooncode), waarbij hij op dit punt de essentiële elementen voorafgaandelijk heeft vastgesteld.'

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Grondwettelijk recht, Leandra Decuyper, Vlaamse Wooncode
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/07/2019

Onteigeningen, de Raad voor Vergunningsbetwistingen en Publius

Deze week vernamen we bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen dat er al 5 onteigeningsdossiers werden gepleit voor de  Raad… en dat ons kantoor in alle 5 betrokken is. :) 

De Raad voor Vergunningsbetwistingen is sedert 1 januari 2019 bevoegd voor de administratieve beroepen tegen definitieve onteigeningsbesluiten.  De Raad van State, die voorheen bevoegd was inzake onteigeningen, behandelt  enkel nog de cassatieberoepen tegen de uitspraken van de RvVb.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Leandra Decuyper, Onteigeningen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/07/2019

Uitzonderingen op de omgevingsvergunningsplicht zijn strikt te interpreteren (2). Over artikel 2 §3 van het Functiewijzigingenbesluit

Het hof van beroep te Antwerpen heeft zich in het arrest van 26 juni 2019 (zie ook vorig blogbericht) uitgesproken over artikel 2, §3 van het besluit van de Vlaamse regering tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen, dat bepaalt:

‘Vrijgesteld van deze omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is het in een woongebouw uitoefenen van functies, complementair aan het wonen, zoals kantoorfunctie, dienstverlening en vrije beroepen, verblijfsrecreatie, detailhandel, restaurant, café en bedrijvigheid, mits aan alle van de volgende vereisten voldaan is:

1° het woongebouw is gelegen in een woongebied of in een daarmee vergelijkbaar gebied
2° de woonfunctie blijft behouden als hoofdfunctie
3° de complementaire functie bestaat uit een geringere oppervlakte dan de woonfunctie met een totale maximale vloeroppervlakte van 100 m²
4° de complementaire functie is niet strijdig met de voorschriften van stedenbouwkundige verordeningen, bouwverordeningen, verkavelingsverordeningen, ruimtelijke uitvoeringsplannen, plannen van aanleg, verkavelingsvergunningen of omgevingsvergunningen voor het verkavelen van gronden’.

Het hof van beroep te Antwerpen spreekt tegen dat in het aan haar voorgelegde geval sprake was van ‘een woongebouw’:

Ook al gaat het met zekerheid over één gebouw, even zeker is, zoals uit de foto’s blijkt, nochtans dat de schuur fysiek afscheidbaar is van het woongedeelte van hetzelfde gebouw en is omgevormd tot feestzaal. De schuur is nooit voor wonen bestemd of gebruikt geweest, nu zij als opslagplaats en garage is gebruikt’.

De uitzonderingsregel kan dus niet gebruikt worden om in een schuur, aansluitend van het woongedeelte, een feestzaal in te richten.

Boeiend is ook de uitspraak van het hof in verband met de berekening van de oppervlakte van 100 m². De exploitant van de feestzaal had een landmeter uitgenodigd om oppervlakkige metingen te doen en als bij toeval bedroeg de feestzaal 99 m².

Het hof stelt zich vragen over het gedeelte van de schuur dat met een houten wand werd dichtgemaakt. Uit de foto’s kan niet met zekerheid worden afgeleid dat deze houten wand kan opengemaakt worden. In ieder geval stelt het hof dat de landmeter ten onrechte de inkomsas met een oppervlakte van 1,7 m² heeft uitgesloten van zijn berekening, ‘terwijl de inkom van de feestzaal zonder twijfel wel deel uitmaakt van de feestzaal’.

Nog frappanter is dat het hof opmerkt dat uit niets blijkt ‘dat de opmetingen van de landmeter rekening hebben gehouden met het terras’. Hieruit kan afgeleid worden dat bij de berekening van de 100 m²-drempel niet enkel rekening moet gehouden worden met de functiewijziging binnen in als met de functiewijziging in open lucht. Het terras werd immers ook door de feestzaal gebruikt.

Referentie: Antwerpen, 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (Pub506703-1)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/07/2019

Uitzonderingen op de omgevingsvergunningsplicht zijn strikt te interpreteren (1): Over artikel 7.3 van het Vrijstellingenbesluit

Het hof van beroep te Antwerpen heeft zich in een arrest van 26 juni 2019 uitgesproken over artikel 7.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 juli 2010 tot bepaling van de stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is:

‘Een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen is niet nodig voor een tijdelijke wijziging van de hoofdfunctie van een bestaand, hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw, als de tijdelijke functiewijziging een maximale duur van 4 periodes van 30 aaneen gesloten dagen per kalenderjaar niet overschrijdt. Op de eerste dag van de functiewijziging begint de periode van 30 dagen te lopen ongeacht of de functiewijziging de volle 30 dagen gebeurt. De periodes van 30 dagen kunnen aaneengesloten zijn, maar overlappen elkaar niet’.

Het hof van beroep besliste:

‘Uit de stukken, foto’s en aanvragen tot het bekomen van een vergunning uitgaande van mevrouw M. zelf, blijkt dat er van enige tijdelijkheid geen sprake is. De omvorming van de schuur naar feestzaal is definitief en de uitbating van de feestzaal is meer dan tijdelijk, namelijk niet slechts voor 4 maal 30 dagen per jaar. Deze uitzondering op de vergunningsplicht is aldus niet van toepassing’.

De uitspraak van het hof is meer dan interessant. Het blijkt dat artikel 7.3 van het Vrijstellingenbesluit niet kan gebruikt worden om een constructie duurzaam in te richten voor een bepaalde stedenbouwkundige functie, zelfs niet indien de uitbating minder bedraagt dan 4 maal 30 dagen per jaar.

Referentie: Antwerpen, 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (Pub506703-1).

 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/07/2019

Substituerende milieustakingsvorderingen die werden ingeleid vóór 1 januari 2019 moeten verder behandeld worden

Met blogbericht van 11 september 2019 lieten we u weten:

'Een van de vele innovaties van het Decreet over het lokaal bestuur is dat artikel 194 Gemeentedecreet zondermeer wordt geschrapt. Dit artikel liet toe dat als het college van burgemeester en schepenen of de gemeenteraad nalaat in rechte op te treden, een of meer inwoners in rechte kunnen optreden namens de gemeente, mits zij de zekerheidstelling aanbieden om persoonlijk de kosten van het geding te dragen en in te staan voor de veroordeling tot schadevergoeding of boete wegens tergend en roekeloos geding of hoger beroep die kan worden uitgesproken.  Zowel natuurlijke personen als milieuverenigingen maakten gretig gebruik van dit substituerend vorderingsrecht, in het bijzonder bij de zogenaamde milieustakingsvorderingen.

Artikel 577,50° DLB heft artikel 194 van het Gemeentedecreet op, hetgeen ook meteen het einde inluidt van de substituerende milieustakingsvordering. Deze opheffing treedt in werking op 1 januari 2019. Alle lopende milieustakingsprocedures worden gewoon verder afgehandeld'.

De afschaffing van de zgn. substituerende milieustakingsvordering werd aanbgevochten voor het Grondwettelijk Hof. Er is nog geen uitspraak.

In een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 26 juni 2019 wordt bevestigd dat de lopende milieustakingsprocedures niet komen te vervallen. Het Antwerpse hof was gevat door een aantal buurtbewoners die namens hun gemeente de sluiting van een onvergunde feestzaal vorderden.  De exploitant van de feestzaal wierp tegen dat het substituerende vorderingsrecht was vervallen. Het hof antwoordt dat niet wordt aangetoond dat de opheffing van artikel 194 Nieuwe Gemeentewet terugwerkende kracht heeft. Doordat de dagvaarding werd ingeleid voor 1 januari 2019, werd de vordering ontvankelijk bevonden.

Het is de inleidende dagvaarding die telt. Na 1 januari 2019 is het (vooralsnog) onmogelijk om een nieuwe substituerende milieustakingsvordering in te leiden.Er is o.i. dus geen beletsel dat na 1 januari 2019 nog beroep wordt aangetekend tegen de uitspraak in eerste aanleg. .  

Referentie: Antwerpen 26 juni 2019, nr. 2019/6383, ng. (PUB506703-1)

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Milieustaking
Stel hier je vraag bij dit blogbericht