19/10/2017

Beroepsprocedure bij geldboetes inzake meststoffen doorstaat toets Grondwettelijk Hof

Ten bewijze de motivering in het arrest nr. 122/2017 van het Grondwettelijk Hof van 19 oktober 2017:

'Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag

B.3.1. De verwijzende rechter wenst van het Hof te vernemen of artikel 27ter, § 2, eerste lid, van het decreet van 23 januari 1991 de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet schendt in zoverre het bepaalt dat de beslissingstermijn begint te lopen op de datum van de afgifte ter post van de aangetekende brief houdende verzoek tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling van de administratieve geldboete.

B.3.2. Het Hof heeft reeds herhaalde malen geoordeeld dat een bepaling krachtens welke de termijn waarover een persoon beschikt om een jurisdictioneel (arresten nrs. 170/2003, 166/2005, 34/2006, 43/2006 en 48/2006) of een administratief beroep (arresten nrs.  5/2007, 123/2007, 162/2007, 178/2009 en 41/2017) in te stellen tegen een beslissing aanvangt op het ogenblik van de verzending van die beslissing, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het recht van verdediging van de geadresseerde op onevenredige wijze wordt beperkt doordat die termijn begint te lopen op een ogenblik dat de geadresseerde nog geen kennis kan hebben van de inhoud van de beslissing.

B.3.3. De in het geding zijnde bepaling dient evenwel te worden onderscheiden van de bepalingen waarover het Hof zich in voormelde arresten heeft uitgesproken. De termijn van zes maanden bepaald in artikel 27ter, § 2, eerste lid, van het decreet van 23 januari 1991 is
geen beroepstermijn, maar een termijn waarover de beroepsinstantie beschikt om zich uit te spreken over de verzoeken ingediend op basis van de artikelen 27 en 27bis van het decreet.

Door van de heffingsplichtige te eisen dat hij zijn verzoek tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling indient via aangetekend schrijven, heeft de decreetgever een maatregel genomen die de heffingsplichtige in staat stelt om met zekerheid het aanvangspunt te berekenen van de termijn van zes maanden vermeld in artikel 27ter, § 2, eerste lid, van het decreet van 23 januari 1991. Hij maakt het echter mogelijk dat, op een ogenblik dat de bevoegde ambtenaar geen kennis kan hebben van het bezwaarschrift, een vervaltermijn begint te lopen waarbinnen die administratie moet beslissen om te vermijden dat het bezwaar of het verzoek tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling gegrond wordt geacht. Met toepassing van artikel 27ter, § 2, derde lid, van het decreet van 23 januari 1991 kan de bevoegde ambtenaar echter op eigen initiatief de termijn van zes maanden eenmalig bij met redenen omkleed aangetekend schrijven verlengen met een periode van zes maanden. Ook al kan het feit dat de datum van verzending van het verzoek tot kwijtschelding, vermindering of uitstel van betaling als aanvangspunt van de termijn wordt beschouwd, in werkelijkheid die termijn inkorten, toch wordt niet op onevenredige wijze afbreuk gedaan aan de mogelijkheden voor de administratie om het verzoek te beantwoorden, omdat die termijn voldoende lang blijft.

B.4. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord.

Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag

B.5.1. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof wordt verzocht de bestaanbaarheid van de regel van het gegrond geacht bezwaar in geval van ontstentenis van een tijdige beslissing, vervat in artikel 27ter, § 3, van het decreet van 23 januari 1991, met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet te toetsen, in zoverre die regel enkel van toepassing is op de administratieve geldboeten inzake mestheffing, en niet op de administratieve boeten inzake rijksbelastingen.

Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat de verwijzing naar de administratieve boeten inzake rijksbelastingen betrekking heeft op de administratieve beroepsprocedure vermeld in artikel 366 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992,
zoals van toepassing voor de rechter ten gronde.

B.5.2. Nu de prejudiciële vraag is gebaseerd op een vergelijking tussen de administratieve geldboeten inzake meststoffen en de administratieve geldboeten inzake rijksbelastingen, wordt het verschil in behandeling verklaard door de uitoefening, door de federale overheid en het Vlaamse Gewest, van hun respectieve bevoegdheid in een verschillende aangelegenheid. Onverminderd de mogelijke toepassing van het evenredigheidsbeginsel bij de bevoegdheidsuitoefening, zou de autonomie die de gemeenschappen en gewesten door of krachtens de Grondwet is toegekend, geen betekenis hebben indien een verschil in behandeling tussen adressaten van, enerzijds, federale regels en, anderzijds, gewestelijke regels als zodanig strijdig zou worden geacht met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

B.6. De prejudiciële vraag dient ontkennend te worden beantwoord'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk recht, Milieurecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/12/2017

Gunstregime voor de eigen gemeente-inwoners maakt lokaal belastingsreglement kwestbaar

Dit blijkt nogmaals uit het arrest nr. 240.035 van de Raad van State van 30 november 2017 met betrekking tot een gemeentelijke belasting op de economische bedrijvigheid:

‘Gewis is het een zaak van redelijk en goed bestuur om een billijke verdeling van de belastingdruk te betrachten. Eveneens ligt het in de rede dat wie een economische activiteit ontplooit in de gemeente en bijgevolg verondersteld mag worden voordeel te halen uit de gemeentelijke collectieve voorzieningen, aan de gemeente een belasting betaalt.

Een en ander rechtvaardigt evenwel nog niet dat in een belasting zou worden voorzien die strijdt met de fiscale gelijkheidsregel. Belet deze regel niet dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën, dat verschil moet wel op een objectief criterium berusten en redelijk verantwoord zijn. De verantwoording moet ondermeer redelijkerwijze relevant zijn in het licht van de aard en het doel van de belasting.

De aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting is een belasting die alleen wordt geheven van wie in de bevolkingsregisters van de gemeente is ingeschreven. Ze doet zich wezenlijk voor als een bijdrage in de gemeentelijke financieringsbehoeften, opgelegd vanwege het voordeel dat de belastingplichtige uit de gemeentelijke voorzieningen haalt doordat hij zijn hoofdverblijf in de gemeente heeft.

Het is in dit verband zonder belang of de belastingplichtige, naast het voordeel dat hij als een ingezetene van de gemeente geniet, ook nog een andere baat uit de gemeentelijke voorzieningen haalt doordat hij een economische bedrijvigheid op het grondgebied van de gemeente uitoefent en uit dien hoofde een bijkomend gebruik maakt van de gemeentelijke infrastructuur en dienstverlening.

Het tarief van de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting is voor alle inwoners van de gemeente gelijk, ongeacht of zij er een economische bedrijvigheid uitoefenen. Voorts is het onverschillig voor het voordeel dat de exploitant van een economische activiteit wegens – specifiek – die exploitatie haalt uit de voorzieningen van de gemeente of hij er al dan niet in de bevolkingsregisters is ingeschreven.

Uit wat voorafgaat, volgt dat de bijdrage die een gemeentenaar levert wegens het nut dat hij van de gemeente diensten geniet als ingezetene, niets van doen heeft met een eventuele bijdrage vanwege het nut dat hij van die diensten heeft als exploitant van een economische activiteit. Dat dus, zoals in de bestreden beslissing wordt overwogen, de natuurlijke personen met woonplaats op het grondgebied van de gemeente ten gevolge van hun onderworpenheid aan de aanvullende gemeentebelasting op de personenbelasting ‘veel meer bijdragen tot de gemeentelijke financiën’ is niet terzake dienend'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Lokale belastingen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
10/12/2017

Nogmaals over onverjaarbare (?) gewoonte- en bestemmingsmisdrijven

Lees hier het antwoord van minister Schauwvliege op de vraag nr. 92 van 27 oktober 2017 van Mercedes Van Volcem aangaande sommige 'onverjaarbare' stedenbouwmisdrijven en de verenigbaarheid daarvan met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel::

'1. In de voorliggende vraag worden verschillende kwalificaties naast en door elkaar geplaatst zoals gewoontemisdrijven, bestemmingsmisdrijven en aflopende misdrijven. Het lijkt mij eerst en vooral nuttig om klaarheid te scheppen over de aard van deze kwalificaties want de conclusie is niet helemaal correct. Er zijn immers geen nieuwe onverjaarbare stedenbouwschendingen bij gecreëerd.

In het Handhavingsdecreet van 4 juni 2003 en bij de decreetwijziging voorzien in het Aanpassings- en aanvullingsdecreet van 27 maart 2009, zijn er inderdaad ingrijpende wijzigingen gebeurd. Het was bij het opheffen van het instandhoudingsmisdrijf buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied de bedoeling van de decreetgever om van de stedenbouwkundige misdrijven buiten het ruimtelijk kwetsbaar gebied, aflopende misdrijven te maken. Dit wordt ook met zoveel woorden gezegd in de Memorie van Toelichting hierbij. Ook werden bijzondere verjaringstermijnen voor de herstelvorderingen ingevoerd. Deze wijzigingen hebben echter geen invloed gehad op mogelijke strafrechtelijke kwalificaties, voornamelijk wanneer het over het strafbaar gebruik gaat. Zo bij voorbeeld hebben de decretale aanpassingen de toepassing van artikel 65 van het Strafwetboek, m.n. de kwalificatie van het zogenaamde collectief of voortgezet misdrijf, door de rechtbanken niet kunnen uitsluiten. Dit geldt ook voor de berekening van de verjaringstermijnen en voor de koppeling van de verjaring van de herstelvordering aan deze van de strafvordering, wat in artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering  geregeld wordt. De Vlaamse decreetgever kan enkel het materieel strafrecht, met andere woorden de als misdrijf omschreven feiten en de sanctie daarop, nader regelen. Maar, het strafprocesrecht op zich is natuurlijk een voorbehouden federale materie en het is niet aan de Vlaamse decreetgever op dit vlak in te grijpen.

Dat bij een vergunningsplichtige functiewijziging - door de wijziging zelf - een aflopend misdrijf ontstaat als men dit doet zonder vergunning, zegt nog niets over het latere gebruik dat daarnaast ook op zichzelf een strafbaar feit kan uitmaken en buiten ruimtelijk kwetsbaar gebied onder de kwalificatie van een voortgezet misdrijf kan vallen. Het zijn twee afzonderlijke misdrijven, die de decreetgever allebei strafbaar heeft gesteld. Op basis van de ene kwalificatie kan een feit verjaard zijn, terwijl hetzelfde feit op basis van een andere kwalificatie strafbaar blijft. Dit is een normale toepassing van het federale strafrecht en deze is niet strijdig met het gelijkheids- en niet-discriminatiebeginsel.

2. Of dit allemaal als problematisch of onbillijk wordt ervaren, is uiteraard een andere kwestie en deze vraag zal anders beantwoord worden naargelang aan wie men de vraag stelt. Zo bijvoorbeeld zal de omgeving en de maatschappij die wordt geconfronteerd met een gewoonlijk gebruik als stallingsplaats voor afgedankte voertuigen op een weiland waarvoor geen vergunning werd bekomen, deze vraag - doordat het gebruik zich dagdagelijks herhaalt en mogelijks hinder veroorzaakt - anders beantwoorden dan de gebruiker van het stuk grond zelf. Deze laatste zal zolang hij het gebruik niet staakt, immers niet in aanmerking komen voor verjaring van de strafvordering. Gezien de decreetgever het gewoonlijk gebruik in dit voorbeeld rechtstreeks vergunningsplichtig heeft gesteld in artikel 4.2.1,5° VCRO, blijft dit gewoonlijk gebruik zonder vergunning strafbaar van het eerste tot het laatste moment. De decreetgever heeft hierdoor immers zelf aangegeven dat het ruimtelijk relevant is. Moet de decreetgever deze vergunningsplicht van artikel 4.2.1, 5° VCRO dan opheffen ? Moet de decreetgever dit misdrijf depenaliseren en onder de bestuurlijke handhaving brengen zodat het strafprocesrecht niet meer speelt en dit op kortere termijn kan verjaren ook al loopt het gebruik van de weide als stallingsplaats voor afgedankte voertuigen onbeperkt verder ? Is dit allemaal wenselijk nu het om een expliciet  vergunningsplichtig gebruik gaat dat reeds van bij aanvang in de Stedenbouwwet is opgenomen ? Het debat daarover moet nog gevoerd worden.

Naast het voormelde gewoonlijk gebruik voorzien in artikel 4.2.1, 5° VCRO, is elk ander gebruik op zich in beginsel niet vergunningsplichtig. Zoals gezegd zal enkel de functiewijziging in sommige gevallen vergunningsplichtig zijn. Gebruik in een bepaalde functie kan wel verboden worden in stedenbouwkundige voorschriften van RUP’s, verordeningen etc. of in vergunningsvoorwaarden. Feiten die niet-vergunningsplichtig gebruik kunnen uitmaken in strijd met bestemmingsvoorschriften, zijn reeds tot een minimum beperkt door invoering van een derde lid in artikel 4.4.1 §3 VCRO. De aangehaalde rechtspraak in de vraagstelling dateert van voordien. Sedert de decreetwijziging van 18 december 2016 (IW 23 februari 2017) kan het niet-vergunningsplichtig gebruik niet meer strijdig geacht worden met voorschriften van het gewestplan, de algemene plannen van aanleg, gewestelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen, noch met de voorschriften van bijzondere plannen van aanleg, gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen en verkavelingsvergunningen. Via de codextrein zal hieraan toegevoegd worden dat dit geldt “tenzij deze voorschriften deze handelingen uitdrukkelijk en specifiek beperken”. Alleszins zal ook hier steeds voorafgaand de vraag moeten worden gesteld of bepaalde specifieke feiten in de context van Ruimtelijke Ordening na verloop van tijd al niet nog als handelingen conform de VCRO zijn: m.n. werkzaamheden, wijzigingen of activiteiten met ruimtelijke implicaties. Het tijdsverloop is daarbij een beoordelingsfactor voor deze ruimtelijke implicaties. Met andere woorden ook hier wordt de ruimtelijk relevantie beoordeeld alvorens er van een misdrijf sprake kan zijn. Dit vergt een concrete appreciatie van de feiten en de invloed van het tijdsverloop daarop. In eerste lijn wordt onder meer dit reeds op gewestelijk niveau onderzocht en beoordeeld door de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid alvorens de herstelvorderingen bij de rechtbanken kunnen ingeleid worden. Het is een beoordeling geval per geval en het valt niet te vatten in een algemene regel. Ook in het handhavingsprogramma Ruimtelijke Ordening zijn op gewestelijk niveau beleidsrichtlijnen opgenomen die de beslissingspraktijk van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid daarin volgen.

Samengevat kan worden gesteld dat er reeds is overgestapt van een systeem waarbij het strijdig zijn van handelingen met bestemmingsvoorschriften niet meer afhankelijk is van interpretatie, maar zuiver gelinkt is aan een duidelijk verbod of beperking. Het is logisch dat in die context bij overtreding van een uitdrukkelijk verbod of beperking om een bepaald gebruik uit oefenen, dit verbod er is voor de ganse lopende periode en niet voor een bepaalde tijd gelinkt aan één of andere verjaringstermijn. Immers waar een gebouw er fysiek “staat” en buiten volledige afbraak geen herstel naar de oorspronkelijke toestand kan uitmaken, kan een gebruik dat “loopt” veel makkelijker aangepast worden zonder desastreuze gevolgen'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht