23/07/2019

Belangwekkend arrest van de Raad van State inzake voedselveiligheid

Artikel 15 §1 van het KB van 16 januari 2006 tot vaststelling van de nadere regels van de erkenningen, toelatingen en voorafgaande registraties afgeleverd door het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen, bepaalt dat het FAVV de erkenning of toelating, afgeleverd door de uitoefening van een activiteit in of vanuit een inrichting, kan intrekken bij welbepaalde inbreuken op de FAVV-regeling. De operator beschikt dan over een termijn van 15 dagen om per aangetekende brief zijn bezwaren aan het Agentschap mee te delen en, in voorkomend geval, te verzoeken om door deze gehoord te worden en/of verbeteringen voor te stellen teneinde tegemoet te komen aan de ingeroepen motieven. Het FAVV onderzoekt dan de bezwaren en voorgestelde verbeteringen en voert een nieuwe controle uit. Indien het Agentschap van oordeel is dat de inrichting nog steeds niet voldoet, trekt zij de erkenning of toestemming in, hetgeen kan betekenen dat de inrichting gewoonweg wordt gesloten. De operator kan da beroep aantekenen bij de Beroepscommissie binnen het Agentschap, die dan advies verstrekt aan de minister die binnen de 15 dagen een eindbeslissing moet nemen over het beroep.

In het geval voorgelegd aan de Raad van State in het arrest nr. 245.214 van 19 juni 2019 werd de erkenning van een halalsupermarkt ingetrokken door het FAVV wegens inbreuken op de etiketteringsreglementering, werd in beroep door de operator een verbeterprogramma voorgesteld dat de Beroepscommissie kon overtuigen en nam de minister op adviues van deze Commissie dan de gebruikelijke beslissing waarbij de intrekking werd geschorst, met dien verstande dat bij een eerstvolgende controle ‘enige’ nieuwe inbreuk wordt vastgesteld, de intrekking van de erkenning of de toelating alsnog definitief, met enkel een beroep bij de Raad van State als optie. Bij de hercontrole werden enkele nieuwe inbreuken vastgesteld en werd de erkenning alsnog ingetrokken.  Tegen deze 'sluitingsbelissing' werd opgekomen door de operator bij de Raad van State.

De Raad van State beslecht in het arrest bij uiterst dringende noodzakelijkheid 2 belangrijke vraagstukken:

Eén. De Raad van State oordeelt dat wel degelijk enkel tegen de ‘sluitingsbeslissing’ van het FAVV, na ministeriële beslissing, kan opgekomen worden:

De verwerende partij “stelt zich vragen bij het belang van verzoekende partij […] waar dit beroep immers geen einde kan stellen aan de beslissing van Minister Ducarme dd. 9.05.2019”.

Zij wijst erop dat tegen deze beslissing door de verzoekende partij geen rechtsmiddel werd aangewend, zodat deze beslissing definitief is geworden.

Zij stelt verder dat zij zolang die beslissing bestaat “terzake geen enkele beoordelingsvrijheid (heeft) en … zij in geval van vaststelling van enige inbreuk eenvoudigweg de intrekking van de toelating (dient) vast te stellen” en concludeert dat de verzoekende partij “aldus geen belang (heeft) terzake”.

Ter terechtzitting stelt de verzoekende partij dienaangaande dat de beslissing van 9 mei 2019 een voorbereidende beslissing is.

Beoordeling

Het is zonder meer duidelijk dat de voorliggende bestreden beslissing die de quasi onmiddellijke sluiting van de inrichting van de verzoekende partij tot gevolg heeft, de belangen van die partij ongunstig raakt.

Onder punt 3.8. hierboven wordt de inhoud van de beslissing [van de minister van 9 mei 2019 weergegeven.

Daaruit blijkt dat wanneer enig resultaat van de in het vooruitzicht gestelde inspecties ongunstig is of voor één van de zeventien willekeurig gekozen voorverpakte producten het etiket “gecontroleerd op de taal, de vermelding van de allergenen, de houdbaarheidsdatum  …” niet conform is, de intrekking van de toelating als detailhandel en vleeswinkel, “definitief” wordt. Het geheel van die beslissing hoefde de verzoekende partij er niet toe te brengen deze beslissing aan te vechten, vermits zij er mocht op vertrouwen dat de verwerende partij deze beslissing op wettige, en derhalve op zorgvuldige en redelijke wijze, zou uitvoeren.

In afwachting hiervan behield zij haar erkenning en hoefde zij niet te anticiperen op een mogelijk onwettige uitvoering van die beslissing.

De exceptie wordt derhalve verworpen.’

Twee. De Raad van State beslist dat bij handhaving inzake voedselveiligheid altijd tot een evenredigheidstoets moet overgegaan worden:

‘Aangaande het verweer geput uit het definitief geworden zijn van de beslissing van 9 mei 2019 en uit het verband tussen die beslissing en deze die thans wordt bestreden, dient op de eerste plaats verwezen te worden naar hetgeen hierboven werd geoordeeld met betrekking tot het belang van de verzoekende partij bij de voorliggende vordering.

Het wordt niet betwist dat op het vlak van de etikettering in de zgn. quickscan van 17 producten, bij de controle van 12 juli 2019 een aantal onvolkomenheden werden vastgesteld.

Hierover ter terechtzitting ondervraagd bevestigt de verwerende partij de vaststelling door de verzoekende partij, die ook prima facie blijkt uit de bestreden beslissing, dat deze onvolkomenheden in wezen uitsluitend betrekking hebben op een gebrekkige vertaling, soms in het Nederlands, vaker in het Frans, van een aantal vermeldingen die in de andere taal wel op het desbetreffende etiket voorkomen.

Bovendien bevestigt de verwerende partij, ook in haar nota, dat de controle van 12 juli 2019 “inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne” als “gunstig met opmerkingen” werd beschouwd.

Bovendien wordt zelfs vastgesteld dat de “uitgebreide controle inzake etikettering, die […] moet worden uitgevoerd op drie producten” ook resulteerde in de beoordeling “gunstig met opmerkingen”.

Met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat, naar de letter, één van de in de “quickscan van zeventien producten” weerhouden onvolkomenheden op het vlak van de etikettering, zelfs wanneer die enkel betrekking heeft op “de taal”, blijkens de libellering van de beslissing van 9 mei 2019, volstaat om de erkenning definitief in te trekken zowel voor de detailhandel als voor de “vleeswinkel”.

In redelijkheid kan evenwel niet worden aangenomen dat eender welke dergelijke onvolkomenheid, ongeacht de ernst of de mogelijke gevolgen ervan, blindweg, automatisch, moet aanleiding geven tot de gevolgen die de bestreden beslissing met zich meebrengt.

De beslissing van 9 mei 2019 kan in rechte dan ook niet in die zin worden begrepen dat de minste – eventueel zelfs futiele – tekortkoming, bijvoorbeeld op het vlak van vertaling van de vereiste gegevens op een etiket, automatisch tot de definitieve volledige intrekking van de toelatingen voor de detailhandel én de vleeswinkel moet aanleiding geven.

Er wordt in dit verband zelfs niet aangevoerd door de verwerende partij dat de weerhouden  onvolkomenheden slaan op de inhoud zelf van de vermelding. Toegegeven wordt dat het in casu steeds gaat om onvolledige of gebrekkige vertalingen.

Het valt dan ook nauwelijks in te zien, en minstens had de verwerende partij derhalve formeel moeten motiveren, waarom de weerhouden tekortkomingen in redelijkheid tot dergelijke zware gevolgen moesten leiden, nu de verwerende partij tegelijk ook vaststelt dat de – onverwachte – controle van 12 juli 2019 “inzake infrastructuur, inrichting en hygiëne … als ‘gunstig met opmerkingen’ (werd) beschouwd”, en zelfs dat “de uitgebreide controle inzake etikettering die … moet worden uitgevoerd op drie producten, (ook) resulteerde … in de beoordeling ‘gunstig met opmerkingen”.

De middelen zijn in de hierboven besproken mate dan ook ernstig.’

Het arrest van de Raad van State kan een einde maken aan de ‘automatische sluitingspraktijk’ na de beslissing van de minister.

Referentie: pub507874

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/12/2019

Over intolerantie tot verdoken wraak: stadsinwoonster botst met RvVb en Raad van State

Na talloze procedures tegen een specifieke projectontwikkelaar, besliste een stadsinwoonster om een nieuw veraf gelegen woonproject van dezelfde ontwikkelaar te bestrijden. De deputatie kwam redelijkerwijze tot de vaststelling dat dergelijk beroep onontvankelijk is, de meer dan geruime afstand tussen haar woonplaats en het project indachtig. Zij kon immers onmogelijk de beperkt aangevoerde hinder ondervinden.

Een ontketende leeuw valt niet te temmen en aldus trok de stadsbewoonster naar de Raad voor Vergunningsbetwistingen, alwaar zij per 12 juni 2018 het deksel op de neus kreeg. De Raad oordeelde dat haar belang niet te onderscheiden viel van dat van elke bewoner van het centrum van de stad. Zij woont immers niet in de onmiddellijke nabijheid van het project.

De Raad poneerde verder op adequate wijze:

De stelling dat de parkeerproblematiek zich zal verplaatsen naar de straat [van de stadsinwoonster], is een blote bewering, die nergens concreet wordt onderbouwd en evenmin waarschijnlijk is, gelet op de ruime afstand via de verkeerswegen tussen de straat en het vergunde bouwperceel, waarbij het station bovendien nog een buffer vormt.

En:

De verzoekende partij focust zich in essentie op het volgens haar verzadigd verkeer in de ruime omgeving doch stelt zich in dat opzicht op als behoeder van het algemeen belang, wat de facto neerkomt op een niet-toelaatbare actio popularis.

De stadsinwoonster kon zich opnieuw niet verzoenen met het voor haar nadelig arrest, waarna zij (onbegrijpelijkerwijze) cassatieberoep instelde. In het navolgend arrest van de Raad van State van 10 juli 2019 werd de deur voor de stadsbewoonster definitief gesloten.

Wie wraak zoekt, maakt best twee graven klaar.

Gepost door Isabelle Verhelle

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Isabelle Verhelle
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
03/12/2019

Guillaume Vyncke schrijft noot over de verantwoordelijkheid van een eigenaar bij het doorbreken van een stakingsbevel (RABG 2019-15, 1339-1345)

Guillaume bespreekt het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Dendermonde van 22 februari 2019.

In het geannoteerde vonnis gaat de rechtbank in op de vraag in welke mate een eigenaar van een verhuurd onroerend goed (nog) kan worden aangesproken voor de betaling van een administratieve geldboete bij het doorbreken van een eerder verleend bevel tot staken. In casu resideerde de eigenaar van de grond voor het overgrote deel van het jaar in het buitenland en voerde deze aan dat niet hijzélf, maar zijn huurder, het stakingsbevel had doorbroken. De rechtbank concludeerde dat de eigenaar - eisende partij in de procedure - in zijn beperkte mogelijkheden het nodige had gedaan om zijn huurder aan te sporen de doorbreking van het stakingsbevel stop te zetten, waardoor de administratieve geldboete hem niet ten laste kon worden gelegd.

Blog Publius Nieuws
Tags Guillaume Vyncke, Handhaving stedenbouw, VCRO, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/12/2019

Verzoek tot behoud gevolgen vernietigingsarrest: streng en uitzonderlijk

Artikel 14, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State biedt aan een procespartij de mogelijkheid om de vordering tot behoud van de gevolgen van de bestreden akte uiterlijk in de laatste memorie te formuleren.

Er moet bewezen worden dat de vernietiging, specifiek vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid, onaanvaardbare gevolgen zal hebben en dat, om uitzonderlijke redenen, weliswaar een tempering kan worden gerechtvaardigd van een onvoorwaardelijke nietigverklaring door de uitwerking ervan in de tijd te moduleren. Het kan niet worden aanvaard dat via dit artikel de gevolgen van de nietigverklaring volledig teniet worden gedaan en het arrest dat de nietigverklaring uitspreekt, wordt uitgehold.

In een zaak die geleid heeft tot een arrest van de Raad van State van 21 november 2019 wordt het ingeroepen artikel 14ter afgewezen met navolgende motivering:

In dit geval maken de tussenkomende partijen slechts in algemene bewoordingen gewag van onredelijke nadelen op economisch, sociaal en financieel vlak. De precieze omvang van die nadelen wordt echter niet behoorlijk gestaafd noch toegelicht. Daarom bestaat er geen dwingende reden om aan te nemen dat de gevolgen van de vernietiging van de bestreden beslissing zo uitzonderlijk zijn dat ze moeten worden getemperd met toepassing van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Een nauwkeurige en concrete aanduiding van de nadelige gevolgen, gestaafd met onbetwistbare documenten én in relatie tot de rechtszekerheid, is aldus het minimum minimorum teneinde artikel 14ter RvS-wet succesvol te kunnen inroepen.

Gepost door Isabelle Verhelle

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Isabelle Verhelle
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/11/2019

Beleidsplan Vlaams-Brabant ligt ter inzage

Zoals in een eerder blogbericht reeds aangekondigd http://www.publius.be/nl/wat/publius-blogs/provinciale-beleidsplannen-belangrijk-voor-retailsector/ ligt thans ook de conceptnota ‘Provinciaal Beleidsplan Vlaams-Brabant’ ter inzage. Meer informatie kan teruggevonden worden op https://www.vlaamsbrabant.be/wonen-milieu/wonen-en-ruimtelijke-ordening/structuurplan-uitvoeringsplannen/beleidsplan-ruimte-vlaams-brabant/index.jsp. Input op de conceptnota kan geformuleerd worden van 1 december 2019 tot en met 14 februari 2020. Opmerkingen bij de kennisgevingsnota kunnen geformuleerd worden binnen 60 dagen vanaf 1 december 2019.

Gepost door Günther L'heureux

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Günther L'heureux, RUP, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
28/11/2019

Bezint eer ge begint: als aanvrager heeft een UDN-procedure tegen een vergunningsweigering zo goed als geen slaagkans

Geheel terecht heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen op 10 juli 2019 een schorsingsvordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid afgewezen wegens het gebrek aan enig nuttig effect wanneer een vergunningsweigering in laatste administratieve aanleg voorligt. De RvVb overwoog dienaangaande op pertinente wijze:

De schorsing (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) van de tenuitvoerlegging van de in laatste administratieve aanleg genomen weigeringsbeslissing heeft in beginsel geen nuttig effect voor verzoekende partij als aanvrager van de vergunning, gezien een schorsing niet noodzakelijk tot gevolg heeft dat zij de uitbating van de groothandel op wettige wijze kan verderzetten. Zij beschikt alsdan nog steeds niet over de met haar aanvraag beoogde omgevingsvergunning voor onder meer de functiewijziging. Een eventuele schorsing impliceert evenmin dat verwerende partij er principieel toe is gehouden om de geschorste weigeringsbeslissing (in te trekken en) te heroverwegen, laat staan dat zij alsdan een nieuwe positieve beslissing moet nemen, en met name een (regularisatie)vergunning moet verlenen aan verzoekende partij.

De bedoeling van verzoekende partij om verwerende partij ertoe aan te zetten om de bestreden beslissing te heroverwegen met inachtneming van het gezag van gewijsde van het schorsingsarrest miskent overigens de finaliteit van de (uitzonderlijke) procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, terwijl de beweerde onwettigheid van de bestreden beslissing in beginsel op zich geen element vormt waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering kan worden gesteund.

Ook een gewone schorsing zal in dezelfde omstandigheden (zijnde een vergunningsweigering in laatste administratieve aanleg als aanvrager) weinig soelaas brengen. Een verwittigd man is er twee waard.

Gepost door Isabelle Verhelle

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Isabelle Verhelle
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags