20/06/2018

Assortimentsbeperkingen en de Europese Dienstenrichtlijn. Quo vadis? Een eerste uitspraak van de Nederlandse Raad van State

In ons blogbericht van 19 februari 2018 lichtten we het arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 2018 toewaarbij het Hof bevestigde dat detailhandel wordt gevat door de Europese Dienstenrichtlijn.

Verder luidde het in het arrest onder meer dat assortimentsbeperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn, maar dat deze moeten voldoen aan de eisen van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn dat in zoveel woorden stelt dat beperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn mits zij (a) geen discriminatie inhouden; (b) noodzakelijk zijn om redenen van algemeen belang en (c) de beperkingen niet verder gaan dan nodig om het nagestreefde doel - in casu de bescherming van het stedelijk milieu - te bereiken (= evenredigheidstoets).

Deze uitspraak kwam er naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Nederlandse Raad van State in een zaak waarin een vastgoedbedrijf het bestemmingsplan van de stad Appingedam bestrijdt (voor de feiten: zie ons eerder blogbericht van 13 januari 2016). Eén van de door het vastgoedbedrijf aangehaalde middelen betrof de strijdigheid met de Europese Dienstenrichtlijn, daar het bedrijf meent dat het bestemmingsplan ten onrechte schoenen- en kledingwinkels uitsluit op het Woonplein in de stad Appingedam.

Vandaag - 20 juni 2018 - sprak de Nederlandse Raad van State zich uit over de conformiteit van de assortimentsbeperkingen in het bestemmingsplan van de stad Appingedam met de Dienstenrichtlijn.

Het luidt dat aan de eerste 2 voorwaarden van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn - het discrimitieverbod en voorwaarde van noodzakelijkheid - voldaan is, maar er zich een probleem stelt bij de evenredigheidstoets.

'13.1.    De [gemeente]raad gaat ervan uit dat de brancheringsregeling in het bestemmingsplan geschikt is om de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en leegstand in binnenstedelijk gebied te voorkomen. Daarbij gaat de raad uit van de veronderstelling dat, indien branchering op het Woonplein wordt losgelaten, dit tot gevolg heeft dat in het centrum van Appingedam gevestigde of nog niet in Appingedam gevestigde reguliere detailhandel zich zal vestigen op het Woonplein, hetgeen door vertrek van of druk op detailhandel in het centrum zal leiden tot een minder aantrekkelijke mix aan winkels in het centrumgebied.

13.2.    De Afdeling acht het op zichzelf mogelijk dat deze op algemene ervaringsregels gebaseerde veronderstelling opgaat. Daarbij betrekt de Afdeling de Conclusie van Advocaat-Generaal Szpunar van 18 mei 2017, [appellante], ECLI:EU:C:2017:397, waarnaar het Hof onder 135 verwijst:

"147 […] Een gemeente kan er belang bij hebben om via een bestemmingsplan te bevorderen dat de binnenstad haar dynamiek en oorspronkelijk karakter behoudt. Regulering van de vestigingsmogelijkheden voor winkels kan in algemene zin onderdeel zijn van een dergelijk beleid. Bovendien is het mogelijk dat een gemeente ook de hoeveelheid en doorstroming van het verkeer binnen en buiten de stad wil beïnvloeden. […]
148 […] Winkelcentra buiten de binnenstad hebben een zichzelf versterkend effect. Wanneer bepaalde winkels zich eenmaal buiten de stadskern bevinden en de inwoners daar met de auto heen gaan, wordt die locatie ook aantrekkelijker voor andere winkels die tot dusverre in de binnenstad waren gevestigd. De enige manier om de negatieve gevolgen van een verkeerstoename en een lege binnenstad te vermijden is dus om de mogelijkheden voor dienstverrichters om zich buiten de binnenstad te vestigen, te beperken."

Het lijkt derhalve mogelijk dat - al dan niet als onderdeel van een pakket aan andere maatregelen − een oorzakelijk verband bestaat tussen enerzijds regulering van de vestigingsmogelijkheden voor winkels en anderzijds het behoud van de dynamiek en het oorspronkelijk karakter en daarmee de leefbaarheid van het stadscentrum en het voorkomen van leegstand in binnenstedelijk gebied. Uit de hiervoor genoemde rechtspraak van het Hof volgt dat het aan de regulerende overheid is, in dit geval aan de raad van de gemeente Appingedam, om de ingenomen stelling over de effectiviteit van de maatregel te onderbouwen aan de hand van een analyse met specifieke gegevens. De raad is daarin naar het oordeel van de Afdeling niet geslaagd.

Ter onderbouwing van dit verband heeft de raad zich immers alleen op algemene ervaringsregels beroepen, zonder daarnaast onderzoeksgegevens of andere gegevens over te leggen waarmee de gestelde gevolgen van vestigingsmogelijkheden ter plaatse van het Woonplein op de samenstelling van het winkelaanbod en de leegstand in het centrum van Appingedam aannemelijk worden gemaakt. De raad had bijvoorbeeld resultaten van onderzoek naar de effectiviteit van ruimtelijk detailhandelsbeleid op landelijk, provinciaal of lokaal niveau, of gegevens ontleend aan koopstromenonderzoek, voor zover deze onderzoeken toepasbaar zijn op de specifieke situatie in Appingedam, in ogenschouw kunnen nemen. Daarbij had de raad rekening kunnen houden met beschikbare (onderzoeks)gegevens over de effecten van detailhandelsbeleid in krimpregio’s, zoals de regio waarin Appingedam is gelegen, en − indien voorhanden - meer in het bijzonder de effecten van branchering in dergelijke regio’s. De raad heeft dit echter nagelaten. Aldus ontbreekt een analyse van de geschiktheid van de door de raad genomen maatregel en ontbreken specifieke gegevens ter onderbouwing van zijn betoog over de geschiktheid van de getroffen maatregel. Bij gebreke hiervan kan de Afdeling thans niet beoordelen of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de in het plan opgenomen brancheringsregeling geschikt is om de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en verdere leegstand in het binnenstedelijk gebied van Appingedam te voorkomen.

13.3.    Onder deze omstandigheden kan thans evenmin worden beoordeeld of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de opgenomen brancheringsregeling niet verder gaat dan nodig is om het beoogde doel te bereiken en dat doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.

Aan de ene kant twijfelt de Afdeling of uitsluitend door het treffen van andere maatregelen die bijdragen aan een aantrekkelijk centrum, zoals genoemd in de Quickscan en de Projectenmap, de beoogde aantrekkelijke mix aan winkels in combinatie met aanvullende horeca en culturele voorzieningen in het centrum kan worden behouden of bereikt. Deze maatregelen hebben immers voornamelijk betrekking op de inrichting van de openbare ruimte.

Aan de andere kant is het volgens de Afdeling, zoals hiervoor overwogen, weliswaar mogelijk dat de veronderstelling van de raad opgaat dat het loslaten van de bestemmingsregeling zal leiden tot een minder aantrekkelijke mix aan winkels in het centrum. Deze veronderstelling heeft de raad echter niet onderbouwd door middel van een analyse met specifieke gegevens. Bij afwezigheid van een dergelijke analyse kan niet worden uitgesloten dat leegstand in het centrum ook kan worden voorkomen met een minder beperkende brancheringsregeling of met andere minder beperkende maatregelen. Bij gebreke aan een analyse met specifieke gegevens kan de Afdeling thans niet beoordelen of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de opgenomen brancheringsregeling niet verder gaat dan nodig is om het beoogde doel te bereiken en dat doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.'

De Nederlandse Raad van State stelt met andere woorden dat op vandaag niet kan worden uitgemaakt of aan de voorwaarde van evenredigheid van de Dienstenrichtlijn is voldaan. De stad Appingedam kon niet op basis van algemene stellingen overwegen dat als op het Woonplein ook reguliere detailhanden (waaronder schoenen en kledij) zou worden toegelaten dit zou zorgen voor een minder leefbaar centrum met meer leegstaande winkels.

Het arrest van de Nederlandse Raad van State betreft een tussenarrest. De gemeenteraad van de stad Appingedam krijgt van de Raad een half jaar de tijd om de evenredigheid van de assortimentsbeperkingen in het bestemmingsplan alsnog te onderbouwen of het bestemmingsplan aan te passen. Daarna zal de Raad beoordelen een definitieve uitspraak doen over de vraag of de brancheringsregels in het bestemmingsplan 'Appingedam' zijn toegestaan.

Wordt vervolgd!

05/12/2019

Over intolerantie tot verdoken wraak: stadsinwoonster botst met RvVb en Raad van State

Na talloze procedures tegen een specifieke projectontwikkelaar, besliste een stadsinwoonster om een nieuw veraf gelegen woonproject van dezelfde ontwikkelaar te bestrijden. De deputatie kwam redelijkerwijze tot de vaststelling dat dergelijk beroep onontvankelijk is, de meer dan geruime afstand tussen haar woonplaats en het project indachtig. Zij kon immers onmogelijk de beperkt aangevoerde hinder ondervinden.

Een ontketende leeuw valt niet te temmen en aldus trok de stadsbewoonster naar de Raad voor Vergunningsbetwistingen, alwaar zij per 12 juni 2018 het deksel op de neus kreeg. De Raad oordeelde dat haar belang niet te onderscheiden viel van dat van elke bewoner van het centrum van de stad. Zij woont immers niet in de onmiddellijke nabijheid van het project.

De Raad poneerde verder op adequate wijze:

De stelling dat de parkeerproblematiek zich zal verplaatsen naar de straat [van de stadsinwoonster], is een blote bewering, die nergens concreet wordt onderbouwd en evenmin waarschijnlijk is, gelet op de ruime afstand via de verkeerswegen tussen de straat en het vergunde bouwperceel, waarbij het station bovendien nog een buffer vormt.

En:

De verzoekende partij focust zich in essentie op het volgens haar verzadigd verkeer in de ruime omgeving doch stelt zich in dat opzicht op als behoeder van het algemeen belang, wat de facto neerkomt op een niet-toelaatbare actio popularis.

De stadsinwoonster kon zich opnieuw niet verzoenen met het voor haar nadelig arrest, waarna zij (onbegrijpelijkerwijze) cassatieberoep instelde. In het navolgend arrest van de Raad van State van 10 juli 2019 werd de deur voor de stadsbewoonster definitief gesloten.

Wie wraak zoekt, maakt best twee graven klaar.

Gepost door Isabelle Verhelle

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Isabelle Verhelle
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
03/12/2019

Guillaume Vyncke schrijft noot over de verantwoordelijkheid van een eigenaar bij het doorbreken van een stakingsbevel (RABG 2019-15, 1339-1345)

Guillaume bespreekt het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Dendermonde van 22 februari 2019.

In het geannoteerde vonnis gaat de rechtbank in op de vraag in welke mate een eigenaar van een verhuurd onroerend goed (nog) kan worden aangesproken voor de betaling van een administratieve geldboete bij het doorbreken van een eerder verleend bevel tot staken. In casu resideerde de eigenaar van de grond voor het overgrote deel van het jaar in het buitenland en voerde deze aan dat niet hijzélf, maar zijn huurder, het stakingsbevel had doorbroken. De rechtbank concludeerde dat de eigenaar - eisende partij in de procedure - in zijn beperkte mogelijkheden het nodige had gedaan om zijn huurder aan te sporen de doorbreking van het stakingsbevel stop te zetten, waardoor de administratieve geldboete hem niet ten laste kon worden gelegd.

Blog Publius Nieuws
Tags Guillaume Vyncke, Handhaving stedenbouw, VCRO, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/12/2019

Verzoek tot behoud gevolgen vernietigingsarrest: streng en uitzonderlijk

Artikel 14, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State biedt aan een procespartij de mogelijkheid om de vordering tot behoud van de gevolgen van de bestreden akte uiterlijk in de laatste memorie te formuleren.

Er moet bewezen worden dat de vernietiging, specifiek vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid, onaanvaardbare gevolgen zal hebben en dat, om uitzonderlijke redenen, weliswaar een tempering kan worden gerechtvaardigd van een onvoorwaardelijke nietigverklaring door de uitwerking ervan in de tijd te moduleren. Het kan niet worden aanvaard dat via dit artikel de gevolgen van de nietigverklaring volledig teniet worden gedaan en het arrest dat de nietigverklaring uitspreekt, wordt uitgehold.

In een zaak die geleid heeft tot een arrest van de Raad van State van 21 november 2019 wordt het ingeroepen artikel 14ter afgewezen met navolgende motivering:

In dit geval maken de tussenkomende partijen slechts in algemene bewoordingen gewag van onredelijke nadelen op economisch, sociaal en financieel vlak. De precieze omvang van die nadelen wordt echter niet behoorlijk gestaafd noch toegelicht. Daarom bestaat er geen dwingende reden om aan te nemen dat de gevolgen van de vernietiging van de bestreden beslissing zo uitzonderlijk zijn dat ze moeten worden getemperd met toepassing van artikel 14ter van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

Een nauwkeurige en concrete aanduiding van de nadelige gevolgen, gestaafd met onbetwistbare documenten én in relatie tot de rechtszekerheid, is aldus het minimum minimorum teneinde artikel 14ter RvS-wet succesvol te kunnen inroepen.

Gepost door Isabelle Verhelle

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Isabelle Verhelle
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
29/11/2019

Beleidsplan Vlaams-Brabant ligt ter inzage

Zoals in een eerder blogbericht reeds aangekondigd http://www.publius.be/nl/wat/publius-blogs/provinciale-beleidsplannen-belangrijk-voor-retailsector/ ligt thans ook de conceptnota ‘Provinciaal Beleidsplan Vlaams-Brabant’ ter inzage. Meer informatie kan teruggevonden worden op https://www.vlaamsbrabant.be/wonen-milieu/wonen-en-ruimtelijke-ordening/structuurplan-uitvoeringsplannen/beleidsplan-ruimte-vlaams-brabant/index.jsp. Input op de conceptnota kan geformuleerd worden van 1 december 2019 tot en met 14 februari 2020. Opmerkingen bij de kennisgevingsnota kunnen geformuleerd worden binnen 60 dagen vanaf 1 december 2019.

Gepost door Günther L'heureux

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Günther L'heureux, RUP, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
28/11/2019

Bezint eer ge begint: als aanvrager heeft een UDN-procedure tegen een vergunningsweigering zo goed als geen slaagkans

Geheel terecht heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen op 10 juli 2019 een schorsingsvordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid afgewezen wegens het gebrek aan enig nuttig effect wanneer een vergunningsweigering in laatste administratieve aanleg voorligt. De RvVb overwoog dienaangaande op pertinente wijze:

De schorsing (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) van de tenuitvoerlegging van de in laatste administratieve aanleg genomen weigeringsbeslissing heeft in beginsel geen nuttig effect voor verzoekende partij als aanvrager van de vergunning, gezien een schorsing niet noodzakelijk tot gevolg heeft dat zij de uitbating van de groothandel op wettige wijze kan verderzetten. Zij beschikt alsdan nog steeds niet over de met haar aanvraag beoogde omgevingsvergunning voor onder meer de functiewijziging. Een eventuele schorsing impliceert evenmin dat verwerende partij er principieel toe is gehouden om de geschorste weigeringsbeslissing (in te trekken en) te heroverwegen, laat staan dat zij alsdan een nieuwe positieve beslissing moet nemen, en met name een (regularisatie)vergunning moet verlenen aan verzoekende partij.

De bedoeling van verzoekende partij om verwerende partij ertoe aan te zetten om de bestreden beslissing te heroverwegen met inachtneming van het gezag van gewijsde van het schorsingsarrest miskent overigens de finaliteit van de (uitzonderlijke) procedure tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, terwijl de beweerde onwettigheid van de bestreden beslissing in beginsel op zich geen element vormt waarop de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering kan worden gesteund.

Ook een gewone schorsing zal in dezelfde omstandigheden (zijnde een vergunningsweigering in laatste administratieve aanleg als aanvrager) weinig soelaas brengen. Een verwittigd man is er twee waard.

Gepost door Isabelle Verhelle

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Isabelle Verhelle
Stel hier je vraag bij dit blogbericht