20/06/2018

Assortimentsbeperkingen en de Europese Dienstenrichtlijn. Quo vadis? Een eerste uitspraak van de Nederlandse Raad van State

In ons blogbericht van 19 februari 2018 lichtten we het arrest van het Hof van Justitie van 30 januari 2018 toewaarbij het Hof bevestigde dat detailhandel wordt gevat door de Europese Dienstenrichtlijn.

Verder luidde het in het arrest onder meer dat assortimentsbeperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn, maar dat deze moeten voldoen aan de eisen van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn dat in zoveel woorden stelt dat beperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn mits zij (a) geen discriminatie inhouden; (b) noodzakelijk zijn om redenen van algemeen belang en (c) de beperkingen niet verder gaan dan nodig om het nagestreefde doel - in casu de bescherming van het stedelijk milieu - te bereiken (= evenredigheidstoets).

Deze uitspraak kwam er naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Nederlandse Raad van State in een zaak waarin een vastgoedbedrijf het bestemmingsplan van de stad Appingedam bestrijdt (voor de feiten: zie ons eerder blogbericht van 13 januari 2016). Eén van de door het vastgoedbedrijf aangehaalde middelen betrof de strijdigheid met de Europese Dienstenrichtlijn, daar het bedrijf meent dat het bestemmingsplan ten onrechte schoenen- en kledingwinkels uitsluit op het Woonplein in de stad Appingedam.

Vandaag - 20 juni 2018 - sprak de Nederlandse Raad van State zich uit over de conformiteit van de assortimentsbeperkingen in het bestemmingsplan van de stad Appingedam met de Dienstenrichtlijn.

Het luidt dat aan de eerste 2 voorwaarden van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn - het discrimitieverbod en voorwaarde van noodzakelijkheid - voldaan is, maar er zich een probleem stelt bij de evenredigheidstoets.

'13.1.    De [gemeente]raad gaat ervan uit dat de brancheringsregeling in het bestemmingsplan geschikt is om de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en leegstand in binnenstedelijk gebied te voorkomen. Daarbij gaat de raad uit van de veronderstelling dat, indien branchering op het Woonplein wordt losgelaten, dit tot gevolg heeft dat in het centrum van Appingedam gevestigde of nog niet in Appingedam gevestigde reguliere detailhandel zich zal vestigen op het Woonplein, hetgeen door vertrek van of druk op detailhandel in het centrum zal leiden tot een minder aantrekkelijke mix aan winkels in het centrumgebied.

13.2.    De Afdeling acht het op zichzelf mogelijk dat deze op algemene ervaringsregels gebaseerde veronderstelling opgaat. Daarbij betrekt de Afdeling de Conclusie van Advocaat-Generaal Szpunar van 18 mei 2017, [appellante], ECLI:EU:C:2017:397, waarnaar het Hof onder 135 verwijst:

"147 […] Een gemeente kan er belang bij hebben om via een bestemmingsplan te bevorderen dat de binnenstad haar dynamiek en oorspronkelijk karakter behoudt. Regulering van de vestigingsmogelijkheden voor winkels kan in algemene zin onderdeel zijn van een dergelijk beleid. Bovendien is het mogelijk dat een gemeente ook de hoeveelheid en doorstroming van het verkeer binnen en buiten de stad wil beïnvloeden. […]
148 […] Winkelcentra buiten de binnenstad hebben een zichzelf versterkend effect. Wanneer bepaalde winkels zich eenmaal buiten de stadskern bevinden en de inwoners daar met de auto heen gaan, wordt die locatie ook aantrekkelijker voor andere winkels die tot dusverre in de binnenstad waren gevestigd. De enige manier om de negatieve gevolgen van een verkeerstoename en een lege binnenstad te vermijden is dus om de mogelijkheden voor dienstverrichters om zich buiten de binnenstad te vestigen, te beperken."

Het lijkt derhalve mogelijk dat - al dan niet als onderdeel van een pakket aan andere maatregelen − een oorzakelijk verband bestaat tussen enerzijds regulering van de vestigingsmogelijkheden voor winkels en anderzijds het behoud van de dynamiek en het oorspronkelijk karakter en daarmee de leefbaarheid van het stadscentrum en het voorkomen van leegstand in binnenstedelijk gebied. Uit de hiervoor genoemde rechtspraak van het Hof volgt dat het aan de regulerende overheid is, in dit geval aan de raad van de gemeente Appingedam, om de ingenomen stelling over de effectiviteit van de maatregel te onderbouwen aan de hand van een analyse met specifieke gegevens. De raad is daarin naar het oordeel van de Afdeling niet geslaagd.

Ter onderbouwing van dit verband heeft de raad zich immers alleen op algemene ervaringsregels beroepen, zonder daarnaast onderzoeksgegevens of andere gegevens over te leggen waarmee de gestelde gevolgen van vestigingsmogelijkheden ter plaatse van het Woonplein op de samenstelling van het winkelaanbod en de leegstand in het centrum van Appingedam aannemelijk worden gemaakt. De raad had bijvoorbeeld resultaten van onderzoek naar de effectiviteit van ruimtelijk detailhandelsbeleid op landelijk, provinciaal of lokaal niveau, of gegevens ontleend aan koopstromenonderzoek, voor zover deze onderzoeken toepasbaar zijn op de specifieke situatie in Appingedam, in ogenschouw kunnen nemen. Daarbij had de raad rekening kunnen houden met beschikbare (onderzoeks)gegevens over de effecten van detailhandelsbeleid in krimpregio’s, zoals de regio waarin Appingedam is gelegen, en − indien voorhanden - meer in het bijzonder de effecten van branchering in dergelijke regio’s. De raad heeft dit echter nagelaten. Aldus ontbreekt een analyse van de geschiktheid van de door de raad genomen maatregel en ontbreken specifieke gegevens ter onderbouwing van zijn betoog over de geschiktheid van de getroffen maatregel. Bij gebreke hiervan kan de Afdeling thans niet beoordelen of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de in het plan opgenomen brancheringsregeling geschikt is om de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden en verdere leegstand in het binnenstedelijk gebied van Appingedam te voorkomen.

13.3.    Onder deze omstandigheden kan thans evenmin worden beoordeeld of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de opgenomen brancheringsregeling niet verder gaat dan nodig is om het beoogde doel te bereiken en dat doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.

Aan de ene kant twijfelt de Afdeling of uitsluitend door het treffen van andere maatregelen die bijdragen aan een aantrekkelijk centrum, zoals genoemd in de Quickscan en de Projectenmap, de beoogde aantrekkelijke mix aan winkels in combinatie met aanvullende horeca en culturele voorzieningen in het centrum kan worden behouden of bereikt. Deze maatregelen hebben immers voornamelijk betrekking op de inrichting van de openbare ruimte.

Aan de andere kant is het volgens de Afdeling, zoals hiervoor overwogen, weliswaar mogelijk dat de veronderstelling van de raad opgaat dat het loslaten van de bestemmingsregeling zal leiden tot een minder aantrekkelijke mix aan winkels in het centrum. Deze veronderstelling heeft de raad echter niet onderbouwd door middel van een analyse met specifieke gegevens. Bij afwezigheid van een dergelijke analyse kan niet worden uitgesloten dat leegstand in het centrum ook kan worden voorkomen met een minder beperkende brancheringsregeling of met andere minder beperkende maatregelen. Bij gebreke aan een analyse met specifieke gegevens kan de Afdeling thans niet beoordelen of de raad redelijkerwijs heeft kunnen concluderen dat de opgenomen brancheringsregeling niet verder gaat dan nodig is om het beoogde doel te bereiken en dat doel niet met andere, minder beperkende maatregelen kan worden bereikt.'

De Nederlandse Raad van State stelt met andere woorden dat op vandaag niet kan worden uitgemaakt of aan de voorwaarde van evenredigheid van de Dienstenrichtlijn is voldaan. De stad Appingedam kon niet op basis van algemene stellingen overwegen dat als op het Woonplein ook reguliere detailhanden (waaronder schoenen en kledij) zou worden toegelaten dit zou zorgen voor een minder leefbaar centrum met meer leegstaande winkels.

Het arrest van de Nederlandse Raad van State betreft een tussenarrest. De gemeenteraad van de stad Appingedam krijgt van de Raad een half jaar de tijd om de evenredigheid van de assortimentsbeperkingen in het bestemmingsplan alsnog te onderbouwen of het bestemmingsplan aan te passen. Daarna zal de Raad beoordelen een definitieve uitspraak doen over de vraag of de brancheringsregels in het bestemmingsplan 'Appingedam' zijn toegestaan.

Wordt vervolgd!

20/11/2018

Geen wettig belang om de vergunning van je concurrent aan te vechten als je zelf zonder vergunning exploiteert

De Raad van State verwerpt in het opmerkelijke arrest nr. 242.958 van 16 november 2018 het annulatieberoep tegen een handelsvestigingsvergunning omdat de milieuvergunning van verzoekende partij inmiddels was vervallen en diens exploitatie dus niet meer wettig was:

''Pour que le recours en annulation d'un acte administratif soit recevable, il est notamment requis que l'intérêt du requérant à une telle annulation soit légitime, c'est-à-dire qu'il ne s'assimile pas au maintien d'une situation illégale, autrement dit contraire aux lois impératives, à l'ordre public ou aux bonnes moeurs. La partie requérante ne conteste pas exploiter son magasin BRICO de Cognelée sans permis d'environnement depuis le 1er mai 2014, soit depuis l'expiration de la durée de validité de onze ans de son permis d'environnement initial du 30 mars 2003. Elle n'a pas donné suite à la mesure d'instruction opérée sur ce point par l'auditeur rapporteur dans un courriel du 23 mai 2018 et elle n'apporte dans son dernier mémoire aucun élément nouveau ni aucune pièce qui pourrait justifier cette abstention.

Il est donc établi qu'elle exploitait irrégulièrement son magasin B. au jour de l'introduction du recours en annulation et que cette situation n'a pas été régularisée par la suite, comme l'a reconnu la partie requérante à l'audience. (...)

Dans les circonstances décrites ci-dessus, la partie requérante ne peut trouver un intérêt légitime à l'annulation en raison de l'atteinte que le projet autorisé par l'acte attaqué pourrait porter à sa propre activité commerciale, qui est poursuivie illégalement. La circonstance que certains des produits vendus au sein de son magasin B. pourraient être commercialisés sans permis d'environnement est sans incidence dès lors que l'exploitation de ce magasin intègre un ensemble d'activités et d'installations soumises ou non à permis d'environnement. La partie requérante n'ayant pas d'intérêt légitime au recours, ce dernier est irrecevable'.

Ref. PUB 505361-1

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Belang, Dirk Van Heuven, Handelsvestigingen, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
16/11/2018

Jan Beleyn spreekt over de betonstop (Trefdag Gent, 30 januari 2019)

N.a.v. de lancering van het nieuwe platform OmgevingPlus en het nieuwe tijdschrift STORM organiseert die Keure een trefdag op woensdag 30 januari 2019. Naast een korte voorstelling, wordt ook een inhoudelijk sterk programma aangeboden. Jan Beleyn neemt het onderdeel 'Mag er nog gebouwd worden in Vlaanderen' voor zijn rekening. Het volledige programma kunt u hier raadplegen.

Blog Publius Nieuws
Tags Jan Beleyn
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
14/11/2018

Gasboete wegens kakkerlakkenplaag ten laste van de verhuurder

De politierechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, heeft zich in een niet-gepubliceerd vonnis van 31 oktober 2018 moeten uitspreken over een miskenning van artikel 80 van een gemeentelijke politieverordening, waarin wordt gesteld dat iedere eigenaar of bewoner de sanitaire en vuilnisvoorzieningen, berg- en leefruimten alsook de gemeenschappelijke plaats in hygiënische staat dient te houden en alle maatregelen moet nemen om het uitbreken en verspreiden van besmettelijke ziekten of plagen te voorkomen.

Het beroep van de eigenaar werd verworpen:

‘Op appellant berust er als eigenaar een verplichting om alle leefruimten van het door hem verhuurde logementshuis in een hygiënische staat te houden en alle maatregelen te nemen ter voorkoming van het uitbreken van een kakkerlakkenplaag.

Indien de kakkerlakkenplaag nu is ontstaan in een kamer waarvan de huurder onder begeleiding van het OCMW te K. stond (i.c. de kamer van wijlen M.R., met wie de begeleiders van het OCMW nauw contact hadden, zo ook met betrekking tot de bestrijding van de gekende kakkerlakkenproblematiek) of nadien verspreid werd naar andere woonvertrekken binnen het gebouw, is terzake irrelevant. Feit is dat appellant juridisch verantwoordelijk is om een volledig ‘kakkerlakkenvrij’ logementshuis ter beschikking te stellen van huurders.

(…)

De verplichting om het volledige gebouw waarvan appellant eigenaar is, kakkerlakken’vrij‘ te maken en te houden, bleef uiteindelijk op appellant rusten. Appellant kan de uitvoering van deze wettelijke verplichting niet zomaar doorschuiven naar het OCMW te K. of enige andere overheidsinstantie.

De historiek die geïntimeerde in besluiten weergeeft, blijkt ten overvloede dat appellant hierbij schromelijk te kort schoot en voortdurend naliet om de nodige maatregelen te nemen ter verspreiding van de kakkerlakkenplaag in zijn gebouw, zodat geïntimeerde terecht overging tot het opleggen van een gasboete’.

Referentie: Pol. Kortrijk 31 oktober 2018, nr. 2018/380 (Pub507141).

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, GAS
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
11/11/2018

Procedure voor Raad van State heeft altijd verjaringsstuitende werking (ook bij verwerping van de vordering)

Het Grondwettelijk Hof moest in het arrest nr. 148/2018 van 8 november 2018 oordelen over hiernavolgende prejudiciële vraag:

'Is artikel 2244 van het Burgerlijk Wetboek in overeenstemming met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het enkel aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die tot een arrest van nietigverklaring leiden, een verjaringsstuitende werking verleent en dezelfde verjaringsstuitende werking niet verleent aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die niet tot een arrest van nietigverklaring leiden en/of aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die leiden tot een arrest waarbij een verlies van belang wordt vastgesteld dat tot de verwerping van het beroep leidt?'

Het Hof besliste:

'Artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 25 juli 2008 'tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en de gecoördineerde wetten van 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit met het oog op het stuiten van de verjaring van de vordering tot schadevergoeding ten gevolge van een beroep tot vernietiging bij de Raad van State', schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het geen verjaringstuitende werking toekent aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die niet tot een vernietigingsarrest leiden'.

Dit is de argumentatie:

'B.9. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over het verschil in behandeling dat ontstaat doordat enkel de door de Raad van State gewezen vernietigingsarresten een verjaringsstuitende werking hebben, en niet de arresten waarbij het beroep wordt verworpen wegens het verlies van belang van de verzoeker.

B.10.1. De Ministerraad, die daarin wordt bijgetreden door de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, voert in zijn memorie aan dat rekening moet worden gehouden met de samenhang van de tekst zelf, in het bijzonder met de bewoordingen 'voor de toepassing van deze afdeling » in artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek. Artikel 2247 van hetzelfde Wetboek, dat deel uitmaakt van die afdeling, bepaalt evenwel dat, « indien de eiser afstand doet van zijn eis, of indien zijn eis wordt afgewezen, [...] de stuiting voor niet bestaande [wordt] gehouden'.

Volgens de Ministerraad en de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, zou de wetgever ten opzichte van de door de Raad van State geformuleerde opmerkingen een standpunt hebben ingenomen door te beslissen om de voor het beroep tot nietigverklaring bedoelde regeling af te stemmen op de voor de dagvaarding bedoelde regeling. Aldus zou hij, net zoals artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek voor de dagvaarding, hebben beslist dat het beroep tot nietigverklaring niet gepaard zou gaan met een verjaringsstuitende werking indien de handeling, aan het einde van de procedure voor de Raad van State, niet nietig werd verklaard.

B.10.2. De Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Veiligheid en Binnenlandse Zaken, besluit daaruit dat, teneinde het eventueel discriminerende karakter van de in het geding zijnde bepaling te beoordelen, niet twee categorieën van rechtzoekenden bij de Raad van State met elkaar zouden moeten worden vergeleken, zoals het verwijzende rechtscollege doet, maar dat de situatie van de rechtzoekenden die zich tot de Raad van State wenden en een verwerpingsarrest verkrijgen, zou moeten worden vergeleken met die van de rechtzoekenden die zich tot de burgerlijke rechtbanken wenden en die een verwerpend vonnis of een verwerpingsarrest verkrijgen.

B.11. Het staat niet aan de partijen om de inhoud van de prejudiciële vragen te wijzigen of te laten wijzigen.

B.12.1. De redenen waarom de Raad van State een beroep tot nietigverklaring kan verwerpen zonder de grond van de zaak te hebben onderzocht, kunnen talrijk zijn. Zulks geldt met name wanneer de verzoeker, om redenen buiten zijn wil, zijn belang om in rechte te treden verliest tijdens het geding voor het hoge administratieve rechtscollege, zoals dat het geval is in de aan het verwijzende rechtscollege voorgelegde zaak. De termijn die is verstreken tussen de datum van het instellen van het beroep en de datum waarop de Raad van State zijn arrest wijst, kan bijzonder lang zijn en eveneens voortvloeien uit omstandigheden buiten de wil van de verzoeker, zoals dat het geval is in de aan de
verwijzende rechter voorgelegde zaak, zodat de termijn waarin is voorzien om een burgerlijke vordering tot schadevergoeding in te stellen, intussen is verstreken.

B.12.2. Zoals de appellant voor het verwijzende rechtscollege beklemtoont, kan de verzoeker, op het ogenblik van het instellen van zijn beroep bij de Raad van State, niet de omstandigheden voorzien die ertoe kunnen leiden dat een verwerpingsarrest zal worden gewezen, noch de termijn voorzien waarbinnen de Raad van State uitspraak zal doen. Indien de procedure voor de Raad van State meer dan vijf jaar duurt, zal de ontstentenis van een verjaringsstuitende werking die, in geval van een verwerpingsarrest, uit de in het geding zijnde bepaling voortvloeit, tot gevolg hebben dat aan de rechtzoekende elke mogelijkheid wordt ontzegd om bij de burgerlijke rechter tijdig een vordering tot schadevergoeding in te stellen tegen de administratieve overheid.

Het enige middel waarover de verzoeker beschikt om zijn rechten te vrijwaren, is het instellen van een vordering bij de burgerlijke rechter, naast het instellen van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, hetgeen echter de doelstelling van proceseconomie zou tenietdoen, die precies door de wetgever wordt nagestreefd.

B.12.3. In tegenstelling tot hetgeen de Ministerraad beweert, zou de ontstentenis van een verjaringstuitende werking met betrekking tot een door de Raad van State gewezen verwerpingsarrest niet kunnen worden verantwoord door de bekommernis om de in het geding zijnde regeling te harmoniseren met de in artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek bedoelde regeling inzake de dagvaarding voor het gerecht.

Zoals in B.2 is vermeld, verwijst artikel 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit naar de regels van het gemeen recht voor de stuiting van de verjaring, namelijk die welke worden voorgeschreven in afdeling I van hoofdstuk IV, titel XX, boek III, van het Burgerlijk Wetboek, onder de artikelen 2242 tot 2250 van het Wetboek. Hoewel artikel 2244 van dat Wetboek naar de regels van die afdeling verwijst, met inbegrip van de in artikel 2247 bedoelde regel, dient te worden opgemerkt dat, wanneer de rechtzoekende een dagvaardinginstelt voor de burgerlijke rechter, laatstgenoemde zich dient uit te spreken over de zaak in het kader van één en dezelfde procedure met betrekking tot subjectieve rechten tijdens welke de rechtzoekende al zijn argumenten zal hebben kunnen doen gelden. De omstandigheid dat de stuiting van de verjaring, door de toepassing van artikel 2247 van het Burgerlijk Wetboek, voor niet-bestaande wordt gehouden in geval van verwerping van de rechtsvordering op inhoudelijke of vormelijke gronden, zal het onderzoek van de gegrondheid van de vordering niet hebben aangetast. In een dergelijk geval zal de rechtzoekende op geen enkele manier het slachtoffer kunnen zijn geweest van een achterstand bij het burgerlijke rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, aangezien hij precies die rechter is die uitspraak doet met een stuiting van de verjaringstermijn zolang de beslissing niet is gewezen.

B.12.4. Daarentegen kan ten aanzien van de rechtzoekende die bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring instelt, in het objectieve contentieux, dat beroep worden verworpen om een reden die niets te maken heeft met de grond van de zaak. Hij moet een nieuwe procedure, ditmaal in het subjectieve contentieux, instellen voor de burgerlijke rechtscolleges teneinde een schadevergoeding te verkrijgen, indien hij de onwettigheid van de betwiste bestuurshandeling aantoont, hetgeen een onderzoek van de grond van de zaak door de burgerlijke rechter bij wie de zaak aanhangig is gemaakt, vereist.

Een dergelijk beroep wordt hem evenwel ontzegd indien de procedure voor de Raad van State meer dan vijf jaar duurt, zodat ingevolge de toepassing van artikel 2244, § 1, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek, in samenhang gelezen met de artikelen 100 en 101 van de wetten op de Rijkscomptabiliteit, de termijn om zijn vordering tot schadevergoeding in te stellen voor de burgerlijke rechter zal zijn verstreken.B.13. Uit het voorgaande vloeit voort dat de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij enkel aan de bij de Raad van State ingestelde beroepen die tot een vernietigingsarrest leiden, een verjaringsstuitende werking verleent, niet relevant is ten opzichte van de in B.7 en B.8
vermelde doelstellingen, aangezien zij de rechtzoekende die ervoor kiest om een bestuurshandeling aan te vechten voor de Raad van State nog steeds ertoe verplicht om tevens ten bewarende titel een vordering tot schadevergoeding in te stellen voor de burgerlijke rechter, teneinde de verjaring van zijn vordering te voorkomen'.

 

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Grondwettelijk Recht, Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Grondwettelijk Hof, Raad van State, Verjaring
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
07/11/2018

Hof van Justitie heeft zich uitgesproken over (te vrijblijvende?) Nederlandse Programma Aanpak Stikstof (PAS)

De PAS is een programmatische aanpak die ervoor moet zorgen dat de stikstofdeposities dalen en andere maatregelen worden genomen ter verbetering van de staat van instandhouding van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden, waardoor bijkomend vergunningen kunnen worden verleend zonder een hypotheek te leggen op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor die gebieden.

Bij onze noorderburen werd een dergelijke Programmatische Aanpak Stikstof eerder al uitgewerkt in wat in de rechtsleer beschouwd werd als een ronduit unieke en innovatieve poging om economische ontwikkelingen te verzoenen met stringente natuureisen.

Vlaanderen volgde later. Op 23 april 2014 keurde de Vlaamse regering de gebiedsgerichte instandhoudingsdoelen (S-IHD) voor de verschillende speciale beschermingszones goed. Wegens de gevolgen voor de vergunningverlening keurde zij eveneens het concept goed van een programmatische aanpak stikstof (PAS).

Het Europese Hof van Justitie werd door de Nederlandse Raad van State bevraagd omtrent de Nederlandse PAS. In het arrest in de gevoegde zaken C-293/17 en C-294/7 van vandaag, 7 november 2018, heeft het Hof zich hierover uitgesproken.

Het heet dat het Nederlandse stikstofbeleid als te vrijblijvend wordt beschouwd.

Een vrijstelling voor bemesten en beweiden is alleen mogelijk als op grond van ‘objectieve gegevens’ is verzekerd dat geen aantasting van het Natura 2000-gebied zal plaatsvinden.

De PAS is toegestaan, maar dan moet de passende beoordeling wel grondig en volledig zijn getoetst en worden gegarandeerd dat er geen wetenschappelijke twijfel is dat er geen schadelijke gevolgen zijn voor de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden.

Bij een passende beoordeling mag geen rekening worden gehouden met maatregelen als de verwachte voordelen niet vaststaan.

Het Hof oordeelde (o.m.):

‘122. De verwijzende rechter wenst met name te vernemen of er bij een passende beoordeling als bedoeld in artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn, alleen rekening kan worden gehouden met dergelijke maatregelen als die maatregelen reeds zijn getroffen en resultaat hebben gehad.

123. Dienaangaande moet worden vastgesteld dat het in strijd met de nuttige werking van artikel 6, leden 1 en 2, van de habitatrichtlijn zou zijn dat naar het effect van maatregelen die krachtens die bepalingen nodig zijn, kan worden verwezen om, voordat die maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd, op grond van lid 3 van dat artikel een vergunning te verlenen voor een plan of project dat gevolgen heeft voor het betrokken gebied [zie in die zin arrest van 17 april 2018, Commissie/Polen (oerbos van Białowieża), C‑441/17, EU:C:2018:255, punt 213].’

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Meindert Gees, Milieurecht, Passende beoordeling, Vlaams Gewest, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht