02/03/2018

Publius zoekt versterking in Kortrijk en Brussel!

Publius telt 17 advocaten en is meer dan verdrievoudigd sinds zijn oprichting in 2007. Publius heeft 3 vestigingen: Kortrijk, Antwerpen en Brussel. Uiteraard willen we deze groei graag voortzetten.

Wie zoeken we?
Je vertoont een grote interesse in het publiek recht, maar ook het burgerlijk recht kan je boeien (aannemingsrecht, zakenrecht, vastgoedrecht,…). Je houdt van uitdagingen en bewandelt graag onbekend terrein. Je laat je opmerken door je creativiteit en leergierigheid. Je bent punctueel en doorliep een vlekkeloos academisch parcours. Je bent een doorzetter en kan zelfstandig werken. Je bent sterk communicatief in woord en schrift. Een commerciële ingesteldheid is een meerwaarde.

Wat bieden we?
Je zal zowel op consultancy-opdrachten als bij het voeren van procedures ingezet worden. Je krijgt onmiddellijk visibiliteit en komt in direct contact met de cliënt. Je komt terecht in een enthousiaste en dynamische omgeving met een no-nonsense cultuur. Als junior medewerker krijg je een uitermate goede opleiding. Bovendien kan je rekenen op een aantrekkelijke verdienste met reële toekomstperspectieven. Als senior-medewerker krijg je alle kansen om je commercieel te ontplooien.

Hoe solliciteren?
Mail je cv met motivatiebrief naar jobs@publius.be. Wij contacteren je spoedig!

Blog Publius Nieuws
Tags Jobs
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
28/02/2018

Handhavingsdecreet vanaf 1 maart 2018 van kracht

Een aantal (revolutionaire) procedurele nieuwigheden op het vlak van handhaving treden vanaf morgen, 1 maart 2018, in werking. Hiertoe werd het besluit van 9 februari 2018 van de Vlaamse regering betreffende de handhaving van de ruimtelijke ordenine en tot wijziging en opheffing van diverse besluiten vandaag in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd.

Volgende aanpassingen worden o.m. doorgevoerd:

  • De term 'voortzetten' wordt verwijderd uit de strafbepalingen en waar nodig vervangen door 'verder uitvoeren' ten einde de misverstanden met de bestaande kwalificatie van het voortzettingsmisdrijf van artikel 65 Strafwetboek te beperken;
  • De nieuwe strafbaarstelling bij handelingen aan niet-hoofdzakelijk vergunde constructies is niet behouden;  
  • Een afschrift van een proces-verbaal waarbij het misdrijf wordt vastgesteld, wordt overgemaakt aan de beboetingsentiteit, de gewestelijk stedenbouwkundige inspecteur en de gemeente. Dit geldt ook voor navolgende PV’s waarin het herstel wordt vastgesteld;
  • Stakingsbevelen kunnen enkel worden opgelegd bij vergunningsplichtige handelingen. Bij gebruik en instandhouding is bijkomend een verzwaring van de schade aan de goede ruimtelijke ordening vereist, hetzij dat hun impact de bestemming in het gedrang brengt;  
  • Enz.

Met dit decreet wordt ontegensprekelijk voorzien in een versterking van de bestuurlijke handhaving in het omgevingsrecht.

Benieuwd welke impact dit zal hebben.

 

 

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Meindert Gees
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
27/02/2018

Spoedeisendheid volgens de Raad van State

In het arrest nr. 240.814 van 26 februari 2018 legt de Raad van State nog eens haarfijn uit wanneer er voldoende spoedeisendheid is om een schorsingsprocedure te kunnen voeren en wanneer niet;

'Het komt er voor een verzoekende partij die beweert dat de zaak te spoedeisend is om de uitkomst van het annulatieberoep te kunnen afwachten, op aan om van die urgentie te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan deze partij toevalt om aan haar zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet gedragen kunnen worden gedurende de gewone doorlooptijd van de annulatieprocedure en waarom de afloop van deze procedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de rechter toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de beweerde spoedeisendheid inderdaad verantwoorden. De spoedeisendheid van de zaak wordt niet vermoed, welke ook de aard van de b-streden beslissing is.

In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift tot schorsing of de daarbij gevoegde stukken wordt uiteengezet én gestaafd'.

De radio-omroep die een nieuwe erkenning mlisliep leverde azlleszins geen voldoende bewijs op van het bestaan van ernstige nadelige gevolgen:

'Daarnaast gaat verzoekster eraan voorbij dat zij, in afwachting van een arrest over het annulatieberoep, haar activiteiten kan voortzetten door radio-uitzendingen te verzorgen op een andere wijze dan via FM. Dat lijkt ook effectief het geval te zijn, aangezien zij ook na 1 januari 2018 uitzendt via DAB+, digitale televisie en internet. Zij lijkt tevens over een eigen app te beschikken waarmee haar uitzending op smartphones kan worden beluisterd. Verzoekster heeft in haar uiteenzetting van de spoedeisendheid in haar verzoekschrift op geen enkele wijze rekening gehouden met deze uitzendmogelijkheden en refereert tot tweemaal toe op absolute wijze aan “het gebrek aan uitzendingen”. Aldus geeft zij de rechter geen getrouw beeld van haar situatie, wat een proceshouding is die op zich reeds niet beter verdient dan de verwerping van de vordering. Dat verzoekster op de terechtzitting toelicht dat deze uitzendmogelijkheden geen volwaardig alternatief vormen, noch voor het luisterbereik, noch voor de reclame-inkomsten, is laattijdig'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Hoogdringendheid&Spoedeisendheid, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
26/02/2018

Wanneer kan een voorbereidende bestuurshandeling aangevochten worden?

De Raad van State legt het in het arrest nr. 240.783 van 22 februari 2018 nog eens uit:

'Terecht, zo lijkt, schrijft verzoekster op blz. 39 van haar inleidend verzoekschrift, dat het verlenen van de erkenning verschijnt als een complexe administratieve verrichting waarvan het thans bestreden erkenningsbesluit de eindbeslissing is, laatste schakel van een keten van voorbereidende bestuurshandelingen, en dat tegen de erkenning dan ook ontvankelijk als vernietigingsgrond elke onwettigheid mag worden aangebracht die ergens in de loop van de complexe administratieve verrichting is begaan en die geacht kan worden een determinerende
invloed op de eindbeslissing te hebben gehad.

De beoordeling van de ontvankelijkheid van de kandidaten is, zo lijkt, zo een beslissing die specifiek en noodzakelijk voorbereidend is op de eindbeslissing over de erkenning. Daarmee is echter niet gesteld dat die – mogelijk zelfs onregelmatige – voorbereidende bestuurshandeling zelf ook een aanvechtbare administratieve rechtshandeling is. In de regel zijn voorbereidende handelingen dat niet. Anders is het, wanneer de voorbereidende handeling voor de belanghebbende een dadelijk grievende vóórbeslissing is. Dit zou het geval zijn, bijvoorbeeld, indien verzoeksters kandidatuur onontvankelijk was verklaard, wat niet is gebeurd. De beslissing waarbij één van haar concurrenten ontvankelijk wordt verklaard, lijkt evenwel geen zulke aanvechtbare vóórbeslissing te zijn, aangezien die beslissing op het eerste gezicht niet specifiek de rechtspositie van verzoekster bepaalt, noch aan verzoekster definitief nadeel berokkent. Dat een concurrent een ontvankelijk verklaard dossier heeft ingediend mag de kansen op erkenning van verzoekster dan wel beïnvloeden, maar het sluit haar niet uit van de beoogde erkenning'.

Het onontvankelijk bevinden van een kandidaat in een mededingsprocedure, laat het dan voor een overheidsopdracht, een concessie of een erkenning als lokale radio-omroep (zoals in deze zaak) zijn, is een voorbereidende beslissing die niet afzonderlijk kan aangevochten worden, tenzij het verzoekende partij zelf uitsluit van de verdere procedure.  De niet gekozen kandidaat kan tegen de eindbeslissing evenwel ontvankelijk opwerpen dat de kandidatuur van de verkozen kandidaat eigenlijk uitgesloten had moeten worden.

Blog Publius Nieuws
Tags Dirk Van Heuven, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
19/02/2018

Hof van Justitie: detailhandel wordt gevat door de Dienstenrichtlijn

In onze eerdere blogberichten 'Zijn assortimentsbeperkingen voor detailhandel in ruimtelijke uitvoeringsplannen strijdig met de Dienstenrichtlijn?' en 'Advocaat-generaal bij het Hof van Justitie: detailhandel wordt wel degelijk gevat door de Dienstenrichtlijn' lichtten we reeds kort de feiten en de conclusie van de advocaat-generaal M. Spunar toe.

Nu heeft ook het Hof van Justitie in zijn arrest van 30 januari 2018 in het kader van de gevoegde prejudiciële zaken C-360/15 en C-31/16 bevestigd dat detailhandel wordt gevat door de Dienstenrichtlijn:

' 84    Met haar eerste vraag wenst de verwijzende rechterlijke instantie in essentie te vernemen of artikel 4, punt 1, van richtlijn 2006/123 aldus moet worden uitgelegd dat de activiteit bestaande in detailhandel in goederen als schoenen en kleding een „dienst” is waarop de bepalingen van die richtlijn van toepassing zijn

 85     Blijkens het verzoek om een prejudiciële beslissing houdt de twijfel van de verwijzende rechterlijke instantie dienaangaande hoofdzakelijk verband met de omstandigheid dat het Hof in het arrest van 26 mei 2005, Burmanjer e.a. (C‑20/03, EU:C:2005:307, punten 33‑35), heeft geoordeeld dat een nationale regeling voor ambulante verkoop die betrekking heeft op de voorwaarden voor het op de markt brengen van een bepaald soort goederen, onder de bepalingen van het VWEU inzake het vrije verkeer van goederen, en niet onder die inzake het vrij verrichten van diensten valt.

 86     Zoals in punt 58 van het onderhavige arrest is opgemerkt, is richtlijn 2006/123 overeenkomstig artikel 2, lid 1, ervan van toepassing op de diensten van dienstverrichters die in een lidstaat zijn gevestigd, met uitsluiting van de in artikel 2, leden 2 en 3, ervan bedoelde activiteiten en aangelegenheden.

 87     Bovendien wordt overeenkomstig artikel 4, punt 1, van die richtlijn voor de toepassing van deze laatste onder „dienst” verstaan elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 57 VWEU.

 88     In het onderhavige geval lijdt het geen twijfel dat de activiteit van detailhandel in het hoofdgeding in de eerste plaats een economische activiteit anders dan in loondienst tegen vergoeding vormt en in de tweede plaats niet valt onder de uitsluitingen van de werkingssfeer van richtlijn 2006/123 bedoeld in artikel 2, leden 2 en 3, van deze laatste. Bovendien worden werkzaamheden van commerciële aard in artikel 57 VWEU uitdrukkelijk vermeld op de niet-uitputtende lijst van verrichtingen die dat artikel als diensten definieert.

 89     Voor het overige wordt in overweging 33 van richtlijn 2006/123 beklemtoond dat de diensten waarop deze richtlijn betrekking heeft, zeer diverse, voortdurend veranderende activiteiten betreffen, met de uitdrukkelijke vermelding dat tot die activiteiten diensten behoren die zowel aan bedrijven als aan particulieren worden verleend, zoals de distributiehandel.

 90     Aangezien in het hoofdgeding de handel in goederen aan de orde is, moet er nog op worden gewezen dat overweging 76 van richtlijn 2006/123, onder verwijzing naar de verhouding tussen deze richtlijn en de artikelen 34 tot en met 36 VWEU, betreffende het vrije verkeer van goederen, enkel preciseert dat de beperkingen waarop zij betrekking heeft eisen met betrekking tot de toegang tot of de uitoefening van dienstenactiviteiten en niet eisen ten aanzien van de goederen zelf betreffen. Zoals de Commissie heeft opgemerkt, betreffen de voorschriften van het bestemmingsplan in het hoofdgeding niet de goederen zelf, maar de voorwaarden voor de geografische ligging van activiteiten in verband met de verkoop van bepaalde goederen, dus de voorwaarden voor toegang tot die activiteiten.

 91     In die omstandigheden moet de activiteit bestaande in de detailhandel in goederen als schoenen en kleding worden geacht onder het begrip „dienst” in de zin van artikel 4, punt 1, van die richtlijn te vallen.

 92     Aan die uitlegging kan niet afdoen de door de verwijzende rechterlijke instantie vermelde rechtspraak van het Hof aangaande de verhouding tussen enerzijds de bepalingen van het VWEU betreffende het vrij verrichten van diensten en anderzijds die betreffende de overige door dat Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheden, die niet kan worden getransponeerd voor de bepaling van de werkingssfeer van richtlijn 2006/123.

 93     Wanneer in navolging van de Nederlandse regering werd aanvaard dat die richtlijn niet van toepassing is wanneer de omstandigheden van het betrokken geval verband houden met de vrijheid van vestiging, zou daarmee, zoals de advocaat-generaal in punt 76 van zijn conclusie opmerkt, aan hoofdstuk III van die richtlijn, betreffende de vrijheid van vestiging van dienstverrichters, zijn werkingssfeer en daarmee aan die richtlijn, die belemmeringen voor de uitoefening van de vrijheid van vestiging beoogt weg te nemen, haar nuttige werking kunnen worden ontnomen.

 94     Meer in het algemeen draagt het feit dat de toepasselijkheid van richtlijn 2006/123 niet afhangt van een voorafgaande analyse van het gewicht van het aspect betreffende het vrij verrichten van diensten gelet op de omstandigheden van iedere zaak, bij tot de verwezenlijking van de doelstelling van rechtszekerheid die die richtlijn beoogt te waarborgen, zoals uit overweging 5 ervan blijkt.

 95     Een dergelijke analyse zou bovendien een zeer bijzondere ingewikkeldheid meebrengen voor de detailhandel in goederen, die thans behalve de rechtshandeling verkoop een toenemend aantal nauw met elkaar verband houdende activiteiten of diensten omvat die tot doel hebben om de consument ertoe aan te zetten die handeling met een bepaalde marktdeelnemer en niet met een andere te verrichten, hem advies te geven en hem bij te staan bij het verrichten van die handeling alsook klantenservice aan te bieden, en die afhankelijk van de betrokken winkelier aanzienlijke verschillen kunnen vertonen.

 96     Bovendien zou, indien een nationale maatregel gelijktijdig aan de bepalingen van richtlijn 2006/123 en aan de bepalingen van het VWEU werd getoetst, voor het geval dat onmogelijk kan worden bepaald of de met het vrij verrichten van diensten verband houdende aspecten zwaarder wegen dan die verband houdend met andere fundamentele vrijheden, dat erop neerkomen dat een onderzoek van geval tot geval op grond van het primaire recht wordt ingevoerd, waarmee de door die richtlijn nagestreefde doelgerichte harmonisatie zou worden ondermijnd (zie in die zin arrest van 16 juni 2015, Rina Services e.a., C‑593/13, EU:C:2015:399, punten 37 en 38).

 97     Gelet op bovenstaande overwegingen moet op de eerste vraag worden geantwoord dat artikel 4, punt 1, van richtlijn 2006/123 aldus moet worden uitgelegd dat de activiteit bestaande in detailhandel in goederen, voor de toepassing van die richtlijn een „dienst” vormt.'

Verder in het arrest van het Hof van Justitie luidt het dat (a) er voor de toepasselijkheid van de Dienstnerichtlijn geen sprake hoeft te zijn van een internationale dimentsie en (b) assortimentsbeperkingen in bestemmingsplannen mogelijk zijn, maar moeten voldoen aan de eisen van artikel 15, 3de lid van de Europese Dienstenrichtlijn dat als volgt luidt:

'De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen:
a) discriminatieverbod: de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel;
b) noodzakelijkheid: de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang;
c) evenredigheid: de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt.'

Het komt volgens het Hof van Justitie en conform artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn derhalve de lidstaten - en de nationale rechter - toe te toetsen of in geval van assortimentsbeperkingen in bestemmingsplannen aan de 3 voorwaarden van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn voldaan is.

Het Hof van Justitie heeft wél in zoveel woorden gesteld dat indien de voorschriften in een bestemmingsplan de bedoeling hebben de leefbaarheid van het stadscentrum te behouden of leegstand in binnenstedelijk gebied te voorkomen, dat er sprake kan zijn van een dwingende reden van algemeen belang (noodzakelijkheidseis).

Ook in Vlaanderen bestaan er veel bestemmingsplannen die in assortimentsbeperkingen voorzien en vaak verantwoord worden vanuit het oogmerk om de leefbaarheid van het stadscentrum te beschermen. Ook in deze gevallen lijkt alvast aan de noodzakelijkheidsvereiste voldaan. Rest evident nog de toets aan de non-discriminatie-eis en de redelijkheidseis...

Mogelijks wringt het schoentje bij de toets aan de redelijkheidseis van artikel 15, 3de lid Dienstenrichtlijn, nu zal moeten kunnen aangetoond worden dat het doel - zijnde de bescherming van de leefbaarheid van het stadscentrum - niet met andere, minder beperktende maatregelen kan worden bereikt.

We zijn alvast benieuwd hoe de Nederlandstalige Raad van State zal omgaan met het prejudicieel arrest en de evenredigheidstoets zal beoordelen.

Wij houden u evident verder op de hoogte!

 

 

Gepost door Leandra Decuyper

Blog Handelsvestigingen, Lokale Besturen
Tags Dienstenrichtlijn, Handelsvestigingen, Integraal handelsvestigingenbeleid, Leandra Decuyper
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags