18/10/2018

Meindert Gees spreekt over onteigening (6 november 2018, studiecyclus permanente vorming Jonge Balie Dendermonde).

Meindert Gees gaat in op het Vlaamse onteigeningsdecreet dat samen met het uitvoeringsbesluit sinds 1 januari 2018 in voege is. Nieuwe wetgeving betekent nieuwe vragen, zowel in hoofde van de onteigenende instantie als van de onteigende. Nieuwe regelgeving noodzaakt daarenboven altijd een kritische reflectie. Vanuit het standpunt van de rechtspracticus zal stilgestaan worden bij de principes die ten grondslag liggen aan deze nieuwe regelgeving, maar ook bij de diverse (nieuwe?) procedures. Welke garanties worden geboden in het kader van de rechtsbescherming van de onteigende en aan welke voorwaarden dient de kandidaat-onteigenaar te voldoen in het kader van de rechtszekerheid? Meer informatie vindt u hier.

Blog Publius Nieuws
Tags Meindert Gees
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/10/2018

Het verlies van het administratief dossier kan in burgerlijke zaken een uitstekend verweermiddel zijn!

Zo blijkt uit het arrest nr. 2017/AR/326 van het hof van beroep te Gent van 4 oktober 2018 dat moest oordelen over een subsidieaanvraag.

Eisende partij, inmiddels gefailleerd, beschikte niet over een kopie van de eigen aanvraag en de Belgische Staat, niettegenstaande zij daartoe veroordeeld was door de Commissie voor de toegang tot en het hergebruik van bestuursdocumenten, liet weten het administratief dossier kwijt geraakt te zijn.

Het hof wijst de integrale vordering af overwegende dat de omstandigheid dat het administratief dossier zoek is geraakt geen afbreuk doet aan de bewijslast die op eisende partij rust, zelfs niet nu de vordering is gericht tegen de Belgische Staat die gehouden is tot openbaarheid van bestuur.

Volgens het hof kan geen inspiratie opgedaan worden bij artikel 21 RvS-wet, waarin wordt gesteld dat als verwerende partij een administratief dossier niet binnen de vastgestelde termijn toestuurt, de aangehaalde feiten als bewezen worden geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn, enkel geldt voor de procedures voor de Raad van State. Ook een gebeurlijke deloyale houding van de Belgische Staat kan geen aanleiding geven tot een omkering van de bewijslast: Enig opzet of kwade trouw in hoofde van de Belgische Staat is immers niet bewezen. Tenslotte wordt ook het beroep op de verlies-van-een-kansleer verworpen. Het zijn eisende partijen die een fout moeten bewijzen, in oorzakelijk verband met de schade. De fout waarop eisers zich beroepen, betreft het onterecht niet uitbetalen van bepaalde subsidies. Het gebrek aan motivering leidt niet tot de gegrondheid van de vordering. Het feit dat de Belgische Staat in tempore non suspectu nooit zou hebben opgeworpen dat er geen bewijskrachtige stukken voorlagen, volstaat niet. Als eisers falen in hun bewijslast met betrekking tot de geleden schade (de gevorderde bedragen) kunnen ze dit niet 'zomaar afwentelen' op de Belgische Staat door deze een inbreuk op de bewaarplicht ten laste te leggen, hetgeen ten andere een andere fout is dan deze voor het gerecht gevorderd (het onterecht niet inwilligen van een subsidieaanvraag).

Cassatie wordt overwogen.

Referentie: PUB502319-4

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Gerechtelijk recht, Subsidies
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
17/10/2018

Verliest de verzoekende partij die zich beriep op voorschriften van een verkaveling (of een BPA) van meer dan 15 jaar oud, na de Codextrein het belang bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen?

De Raad voor Vergunningsbetwistingen moest in het arrest RvVb/A/1819/0128 van 2 oktober 2018 zich over deze vraag buigen naar aanleiding van een belangenexceptie. Tussenkomende partij wierp op dat door de nieuwe 'Codextrein' verkavelingsvoorschriften van verkavelingen ouder dan 15 jaar geschrapt worden als weigeringsgrond, voor het aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning. Waar alle middelen betrekking hadden op de miskenning van een verkavelingsvoorschrift kon, zo werd geargumenteerd, een vernietiging aan verzoekende partij geen nut bieden op het ogenblik dat de deputatie moet herbeslissen na een gebeurlijk vernietigingsarrest.

Artikel 4.3.1, § 1 VCRO bepaalt na de inwerkingtreding op 30 december 2017 van de Codextrein (decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving, BS) dat een vergunning wordt geweigerd als het aangevraagde onverenigbaar is met c) verkavelingsvoorschriften anders dan inzake wegenis en openbaar groen voor zover de verkaveling niet ouder is dan vijftien jaar op het ogenblik van de indiening van de vergunningsaanvraag, en voor zover van die verkavelingsvoorschriften niet op geldige wijze is afgeweken.

De Raad van State verwierp deze exceptie:

‘De door de tussenkomende partij bedoelde nieuwe regelgeving was immers niet van toepassing op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, zodat de wettigheid van de bestreden beslissing niet op grond van deze regelgeving dient beoordeeld te worden en er evenmin kan geanticipeerd worden op een navolgende herstelbeslissing bij een gebeurlijke vernietiging, met toepassing van nieuwe regelgeving, om het belang van verzoekende partijen te beoordelen.’

Gepost door Dirk Van Heuven

Tags Dirk Van Heuven, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, VCRO, Verkavelingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/10/2018

Habitattoets ook bij 'natuurparkings' vereist!

De Raad van State vernietigt met zijn arrest nr. 242.577 van 9 oktober 2018 het besluit van 25 juli 2016 van de provincieraad van de provincie West-Vlaanderen tot definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Kemmelberg’. De Raad van State stelt in dit arrest vast dat het plan in de ontwikkeling van een parkeerzone van maximaal 2750m² verharde oppervlakte voor 60 voertuigen voorziet, in een gebied dat met het besluit van de Vlaamse regering van 23 april 2014 als een speciale beschermingszone “BE2500003 West-Vlaams Heuvelland” is afgebakend. De Raad is van oordeel dat de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid en de provincie er niet mochten van uitgaan dat er geen risico op een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze zone is:

'5.3. Een ruimtelijk uitvoeringsplan is, zoals elke bestuurshandeling, onderworpen aan de materiëlemotiveringsverplichting, hetgeen inhoudt dat het moet worden gedragen door rechtens verantwoorde motieven die blijken, hetzij uit het ruimtelijk uitvoeringsplan zelf, hetzij uit de stukken van het dossier.

5.4. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit.

(...)

5.7. Verzoeker betoogt, zoals ook aangevoerd in zijn bezwaarschrift,  dat de aanleg van een parking voor 60 voertuigen de toekomstige invulling van het habitatrichtlijngebied hypothekeert.

5.8. Terecht stelt verzoeker dat het argument van de Procoro dat zich op de kwestieuze locatie momenteel geen habitat zou bevinden, zijn voormelde kritiek niet weerlegt, nu de instandhoudingsdoelstellingen een “stijging” van de natuurwaarden beogen. Het argument van de Procoro dat volgens het advies van de afdeling Natuur en Bos geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur “in het VEN” zal worden veroorzaakt, toont voorts evenmin aan dat de aanleg van de kwestieuze parking de toekomstige invulling van het “habitatrichtlijngebied” niet vermag te hypothekeren.

Dat de aanleg van de kwestieuze parking in habitatgebied toelaat om elders bestaande parkings te “supprimeren” en het vervangen van die parkings door één grote groene parking ten voordele komt van het gehele habitatrichtlijngebied, komt de Raad van State dan weer voor als een “compenserende maatregel” in de zin van artikel 6, vierde lid, van de habitatrichtlijn, waarvoor de bij deze bepaling gestelde voorwaarden niet blijken
te zijn vervuld.

5.9. De door de verwerende partij aangevoerde omstandigheid dat de instandhoudingsdoelstellingen gerealiseerd zullen worden “in het natuurgebied” van het PRUP, dat zij het initiatief zal nemen om dit zoveel als mogelijk op haar gronden te realiseren, en dat in de “creatie van ca. 170 ha extra natuurgebied” wordt voorzien, overtuigen er voorts evenmin van dat de toekomstige invulling van het habitatrichtlijngebied door de kwestieuze parkeerlocatie niet kan gehypothekeerd worden.

5.10. Gelet op het voormelde, vermocht de dienst Mer, daarin bijgetreden door de plannende overheid, er niet met goed gevolg van uitgaan dat er geen risico op een betekenisvolle aantasting van de actuele “en potentieel te realiseren” habitats bestaat en dat “een passende beoordeling [dus] niet nodig is”.'

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags MER, Meindert Gees, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
02/10/2018

Kunnen oude constructies nog geviseerd worden in het kader van een herstelvordering voor nieuwe constructies?

Het antwoord op deze vraag is bevestigend als er gewaagd kan worden van eenzelfde eenheid van opzet en/of er sprake is van een zgn. voortgezet misdrijf.

Minister Schauvliege werd recent door Vlaams parlementslid Lode Ceyssens in dit opzicht bevraagd over de verjaring van de herstelvordering.

De vraag betrof het geval waarin er zich diverse onvergunde constructies op een site bevinden, waarbij er zich een geruime tijd bevindt tussen de oprichting van de oude constructies en de oprichting van de nieuwe:

‘Stel dat er na het verstrijken van de verjaringstermijn van de op het terrein aanwezige constructies, constructies worden bijgeplaatst, bijvoorbeeld een afzonderlijk bijgebouw.

Indien de herstelvorderende overheid in zo’n geval zou ageren naar aanleiding van de recente misdrijven, beschikt zij dan over de mogelijkheid om de oude misdrijven mee te nemen, en ook hiervan herstel te vragen?’

De minister antwoordde op 2 oktober 2018 het volgende :

‘Artikel 6.3.1, tweede lid VCRO stelt dat het bevolen herstel steeds de volledige illegaliteit ter plaatse dekt, ook al werd die mee veroorzaakt door stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken die niet bij de rechter aanhangig zijn. Dit is eigenlijk een letterlijke overname van wat het Hof van Cassatie heeft uitgesproken in een arrest van 24 april 2012 (P11.1061N). Het ging over in de tijd opeenvolgende verbouwingen zonder vergunning door verschillende opeenvolgende eigenaars aan dezelfde constructie. De laatste werd veroordeeld tot het integrale herstel, ook al had hij de eerste aanpassingen niet zelf uitgevoerd. Ervan uitgaande dat er geen eenheid van opzet speelt zoals bedoeld in artikel 65 van het Strafwetboek, zal een tijdig ingestelde en ontvankelijke herstelvordering met betrekking tot de oprichting van een constructie niet tot gevolg hebben dat een herroepelijk verjaarde herstelvordering, met betrekking tot eerder opgerichte andere constructies, alsnog herleeft. Er zal dus moeten nagegaan worden tot hoe ver “het geheel” zich strekt en meer in concreto vanaf wanneer iets niet tot dezelfde schade behoort en afsplitsbaar is.’

[eigen aanduiding]

Er zal zodus in ieder afzonderlijk dossier moeten worden onderzocht of er nu sprake is van eenzelfde opzet tussen de misdrijven. Dit betreft aldus een feitenappreciatie die moet worden gemaakt.

Enkel in de veronderstelling dat het eenheid van opzet niet voorhanden is, zou de hierboven aangehaalde verjaring kunnen intreden.

De minister werd in dit opzicht ook bevraagd over de impact van de notie van het voortgezet misdrijf  in de adviespraktijk van de Hoge Raad van de Handhavingsuitvoering (sinds 1 maart 2018 de opvolger van de Hoge Raad voor het Handhavingsbeleid) in de gemaakte dergelijke veronderstelling met oude en nieuwe constructies..

De minister antwoordde dat het aan het Openbaar Ministerie en desgevallend de rechtbank toekomt om een uitspraak te doen over de aanwezigheid van een voortzettingsmisdrijf en de evt. aanwezige verjaring:

‘Het is inderdaad zo dat zolang de strafvordering niet verjaard is, de herstelvordering in principe volgens artikel 26 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering niet kan verjaren. Het al dan niet kunnen kwalificeren van verschillende feiten als een voortgezet misdrijf wordt soeverein door de feitenrechter geapprecieerd. Op uw vraag over hoe de Hoge Raad hiermee omgaat in haar adviespraktijk, geeft de Hoge Raad aan dat het Openbaar Ministerie en, indien de zaak voor de rechter wordt gebracht, de rechter met voldoende kennis van zaken kunnen oordelen over de verjaring van zowel de strafvordering als de herstelvordering. Hoewel de Hoge Raad bij het verlenen van advies onder andere rekening houdt met het tijdsverloop sinds de bouwovertreding werd begaan, spreekt de Hoge Raad zich nooit uit over de mogelijke verjaring. Zo is het principieel niet uitgesloten dat de Hoge Raad een positief advies verleent over een herstelvordering waarbij de rechter later vaststelt dat de feiten verjaard zijn.’

[eigen aanduiding]

De volledige vraagstelling en antwoord vindt u hier.

Gepost door Meindert Gees

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Handhaving stedenbouw, Meindert Gees, Omgevingsvergunning, Verjaring, Vlaams omgevingsrecht
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags