16/07/2007

Stedenbouw: Is een kiezelweg een voldoende uitgeruste weg?

Mevrouw Meert dient in 1992 een verkavelingsvergunningsaanvraag voor twee percelen gelegen aan een 150 m lange private insteekweg. Langs deze dienstweg zijn waterleiding, elektriciteit en openbare verlichting aanwezig. Het perceel is echter niet aangesloten op riolering en de wegverharding bestaat uit een losse steenslagstructuur.

Uit veiligheidsoverwegingen zijn volgens de Vlaamse minister van ruimtelijke ordening "meerdere gebouwen langs deze smalle weg te vermijden". Verder oordeelt hij dat "gezien de plaatselijke toestand de weg onvoldoende is uitgerust”.

Op 1 juli 1993 stelt mevrouw Meert een beroep tot nietigverklaring in bij de Raad van State, die op 28 juni 2007 (of bijna 14 jaar later) oordeelt (R.v.St., Meert-Verhoeven, nr. 172.925):

"Overwegende dat het geheel van argumenten van het bestreden besluit dat “de wegverharding uit een losse steenslagstructuur bestaat” en dat “uit veiligheidsoverwegingen meerdere gebouwen langs deze smalle weg te vermijden zijn”, volstaat om de vaststelling dat “gezien de plaatselijke toestand de weg onvoldoende is uitgerust”, te motiveren en dat bijgevolg de uitzonderingsbepaling van artikel 23, 1°, van het koninklijk besluit van 28 december 1972 niet van toepassing is;"

Gepost door Tim Vermeir

Tags Nutsvoorzieningen, Raad van State, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Wegen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
05/06/2007

Kan men schadevergoeding eisen van de Belgische staat voor de achterstand bij de Raad van State?

Op 28 september 2006 velde het Hof van Cassatie een zeer merkwaardig arrest.

Een persoon die beweerde het slachtoffer te zijn van een medische fout, stelde in 1986 een vordering in tegen de chirurg en het ziekenhuis. In 1995 doet de rechtbank van eerste aanleg uitspraak. De chirurg en het ziekenhuis tekenen tegen het vonnis beroep aan. De griffie van het hof van beroep van Brussel stelt in 1997 de zaak vast voor pleidooien in 2004. Daarop dagvaardt het slachtoffer de Belgische staat tot schadevergoeding wegens de langdurige procedure.

En dan gaat het snel. In 2001 veroordeelt de rechtbank van eerste aanleg de Belgische staat wegens nalatigheid ten aanzien van haar verplichtingen vervat in het EVRM. Zes maanden later kan het hof van beroep van Brussel, dat voordien 7 jaren nodig had om een pleitdatum vast te stellen, al een arrest vellen over het beroep dat de Belgische staat ingesteld had tegen het eerste vonnis. Het hof van beroep bevestigt het eerste vonnis.

Ook het Hof van Cassatie ziet er geen graten in om de wetgever te veroordelen wegens onvolledige omzetting van haar verdragsverplichtingen.

Op basis van dit (veelvuldig becommentarieerd) arrest zijn er intussen ook rechtbanken van eerste aanleg die de Belgische Staat veroordelen wegens de achterstand bij de Raad van State.

Interessant is vooral het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel van 23 maart 2007 (gepubliceerd in het Journal des Tribunaux van 2 juni 2007). De rechtbank diende uitspraak te doen over drie verschillende vorderingen tot schadevergoeding ingesteld door verzoekers voor de Raad van State die elk meer dan vijf jaar dienden te wachten op een eindarrest.

In tegenstelling tot het Hof van Cassatie, baseert de rechtbank de veroordeling van de Belgische staat niet op een fout van de wetgevende macht, maar wel van de uitvoerende macht. Die heeft immers nagelaten om artikel 15 van de wet van 4 augustus 1996, dat artikel 24 van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State wijzigde, in werking te laten treden. Dit artikel 15 bepaalt dat een auditeur zes maanden tijd heeft om zijn verslag op te stellen.

De Belgische staat stelde voor de rechtbank dat het weinig zin had om dit artikel in werking te laten treden "vu l'arriéré existant au Conseil d'Etat, cette disposition n'aurait pu être respectée en pratique et serait donc restée lettre morte".

De rechtbank veroordeelde de Belgische staat tot de betaling van ongeveer 12.000 euro morele schadevergoeding en 1.250 euro advocatenkosten.

Het is onduidelijk of tegen dit vonnis beroep is aangetekend.

Gepost door Tim Vermeir

Tags Nutsvoorzieningen, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
09/05/2007

Uitbreiding van het toepassingsgebied van de Gaswet

De wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen is, zoals uit het opschrift zelf blijkt, niet enkel van toepassing op het vervoer van aardgas. Pijpleidingen die gebruikt worden voor het vervoer andere (gasachtige) producten kunnen ook onder het toepassingsgebied vallen.

Artikel 2, laatste lid, van de Gaswet geeft de Koning de mogelijkheid om het toepassingsgebied in die zin te verruimen.

Met het koninklijk besluit van 27 april 2007 doet hij dat door het koninklijk besluit van 15 juni 1967 (vervoer door middel van leidingen van pekel, natronloog en afvalvloeistoffen) uit te breiden met het vervoer van “gezuiverde afvalwaters van nucleaire installaties”.

In verschillende arresten (R.v.St., SA Bema, nr.103.141, 4 februari 2002 en R.v.St., SA Bema, nr. 147.482, 7 juli 2005) bekritiseerde de Raad van State de rechten die, op basis van de wet van 12 april 1965, gegund werden aan ondernemingen die producten via pijpleidingen vervoeren en de gelijkschakeling van deze ondernemingen met bv. de aardgasvervoersnetten.

De Raad van State maakte zeer duidelijk dat verklaringen van openbaar nut enkel mogelijk zijn indien de pijpleiding ook effectief het openbaar nut dient en niet enkel de private belangen van één of meer bedrijven.

Mede daarom is het nuttig dat de Koning de uitbreiding voorzien in het koninklijk besluit van 27 april 2007 als volgt motiveert:

“Overwegende dat het tot het algemeen belang behoort het juridisch statuut vast te stellen van de leidingen bestemd voor het vervoer van gezuiverde afvalwaters van nucleaire installaties door deze leidingen te laten genieten van zekere bepalingen van de voornoemde wet van 12 april 1965 en aldus de vereiste rechtszekerheid te bieden aan de betrokkenen.”

Gepost door Tim Vermeir

Tags Nutsvoorzieningen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
20/04/2007

Nummeroverdraagbaarheid

Het koninklijk besluit van 20 maart 2007 dat vandaag in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd is, heeft tot doel het koninklijk besluit van 23 september 2002 betreffende de overdraagbaarheid van de nummers van eindgebruikers van de aan het publiek aangeboden mobiele telecommunicatiediensten aan te passen aan de gewijzigde wettelijke context, met name aan de wet van 13 juni 2005 betreffende de elektronische communicatie. Artikel 11, § 7, van deze wet bepaalt immers dat nummeroverdraagbaarheid aangeboden moet worden door operatoren van openbare telefoondiensten, d.w.z. alle personen die een aangifte hebben gedaan bij het Instituut van een openbare telefoondienst of die daarmee worden gelijkgesteld overeenkomstig artikel 161 van de genoemde wet van 13 juni 2005. Het koninklijk besluit van 23 september 2002 voorziet evenwel niet in deze mogelijkheden. Bovendien weerspiegelt het beperkt toepassingsgebied van het besluit van 23 september 2002 niet langer de situatie op de markt waar MVNO's (« mobile virtual network operators ») de concurrentie willen aangaan met de gevestigde mobiele operatoren.
De actualisering van het besluit van 23 september 2002 gebeurt enerzijds door een uitbreiding van het toepassingsgebied van dat besluit, en anderzijds door een aanpassing van de organisatie van de CRDC, de centrale referentiedatabank voor nummeroverdraagbaarheid.

Gepost door Tim Vermeir

Tags Elektronische communicatie, Nutsvoorzieningen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
12/04/2007

"Brusselse" Mediawet gepubliceerd

Voor de inwerkingtreding van de wet van 30 maart 1995 betreffende de netten voor de distributie voor omroepuitzendingen en de uitoefening van televisieomroepactiviteiten in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad was er wat betreft kabeltelevisie in de hoofdstad een juridisch vacuüm. Er was immers geen specifieke regeling uitgewerkt voor Brussel. Ofschoon de wet van 6 februari 1987 van toepassing was, waren hiervoor tot het koninklijk besluit van 16 september 1993 geen uitvoeringsbesluiten uitgevaardigd.

Overeenkomstig artikel 127, § 2, van de Grondwet zouden de Gemeenschappen theoretisch bevoegd kunnen zijn voor de regelgeving over de kabeldistributie in Brussel. Maar vermits geen enkele kabelmaatschappij zich beperkt tot het uitzenden of tot klantencontacten in één taal, is de federale overheid (en meer bepaald de minister bevoegd voor de bi-communautaire instellingen) bevoegd om hier regelgevend op te treden. Blijkbaar gaat de federale overheid er ook van uit dat zij bevoegd is voor de kabeldistributie in Brussel. Door voor te schrijven dat alle distributeurs in Brussel verplicht zijn alle Nederlandstalige en Franstalige programma's door te geven, waarvan de Vlaamse en Franse Gemeenschap de uitzending in hun rechtsgebied opleggen, beschouwt de wetgever de kabelmaatschappijen als “bicommunautaire instellingen”.

Met de wet van 16 maart 2007 wijzigt het federale parlement de wet van 30 maart 1995 en zet ze de Europese Communicatierichtlijnen van 2002 in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest om.

Gepost door Tim Vermeir

Tags Brussels Gewest, Elektronische communicatie, Nutsvoorzieningen
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags