28/05/2019

Het Grondwettelijk Hof bevestigt de schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State

Overeenkomstig artikel 11bis van de Gecoördineerde Wetten op de Raad van State kan een verzoekende of tussenkomende partij een schadevergoeding tot herstel verzoeken aan de Raad van State n.a.v. een annulatieprocedure:

"Elke verzoekende of tussenkomende partij die de nietigverklaring van een akte, een reglement, of een stilzwijgend afwijzende beslissing vordert met toepassing van artikel 14, § 1 of § 3, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak vragen om haar bij wijze van arrest een schadevergoeding tot herstel toe te kennen ten laste van de steller van de handeling indien zij een nadeel heeft geleden omwille van de onwettigheid van de akte, het reglement of de stilzwijgend afwijzende beslissing, met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang.

Het verzoek tot schadevergoeding wordt uiterlijk ingediend zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld. Er wordt een uitspraak gedaan over het verzoek tot schadevergoeding binnen de twaalf maanden na de kennisgeving van het arrest waarbij de onwettigheid werd vastgesteld.

Bij toepassing van artikel 38, moet het verzoek tot schadevergoeding uiterlijk worden ingediend zestig dagen na de kennisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten. Er wordt een uitspraak gedaan over het verzoek tot schadevergoeding binnen de twaalf maanden na de kennisgeving van het arrest waarbij de beroepsprocedure wordt afgesloten.

De partij die het verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend, kan geen burgerlijke aansprakelijkheidsvordering meer instellen om het herstel van hetzelfde nadeel te bekomen.

Elke partij die een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering instelt of heeft ingesteld, kan aan de afdeling bestuursrechtspraak geen vergoeding voor hetzelfde nadeel meer vragen."

De grondwettigheid van dit artikel 11bis Raad van State-wetten werd nu in vraag gesteld bij het Grondwettelijk Hof.

De prejudiciële vraag luidde als volgt:

"Schendt artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het enkel aan de verzoeker de keuze laat om bij de Raad van State een verzoek in te dienen tot schadevergoeding tot herstel, of om, voor de rechtbanken van de rechterlijke orde, de burgerlijke aansprakelijkheid van de administratieve overheid die de handeling heeft gesteld die door de Raad van State onwettig is bevonden, in het geding te brengen, waardoor aan die administratieve overheid de keuzemogelijkheid wordt ontzegd om het voordeel te genieten, in het kader van de procedure voor de rechtbanken van de rechterlijke orde :

- van een dubbele aanleg;

- van de mogelijkheid om te betwisten dat elke onwettigheid een fout vormt die de verplichting met zich meebrengt om de daaruit voortvloeiende schade te herstellen;

- en van de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen ?"

De prejudiciële vraag heeft betrekking op het bestaan van vier verschillen in behandeling tussen de verzoekende partij en de tegenpartij in de procedure tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel:

- ten eerste komt het aan de verzoekende of tussenkomende partij toe om de keuze te maken tussen het vorderen van een schadevergoeding tot herstel op grond van de in het geding zijnde bepaling en het vorderen van een schadevergoeding voor de burgerlijke rechter op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek. De tegenpartij dient de gevolgen van die keuze, waaronder de drie volgende verschillen in behandeling, te ondergaan.

- ten tweede geniet de tegenpartij bij toepassing van de in het geding zijnde bepaling niet het recht op een dubbele aanleg, terwijl zij wel in hoger beroep kan gaan indien de verzoekende of tussenkomende partij een gemeenrechtelijke schadevergoeding vordert voor de burgerlijke rechter.

- ten derde kan de tegenpartij voor de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, niet nuttig aanvoeren dat de vastgestelde onwettigheid geen fout uitmaakt, terwijl zij dat in de gemeenrechtelijke procedure wel kan doen.

- ten vierde kan de tegenpartij tegen een arrest van de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, geen cassatieberoep instellen, terwijl zij in de gemeenrechtelijke procedure wel over een cassatieberoep beschikte.

Het Grondwettelijk Hof heeft de prejudiciële vraag bij arrest d.d. 23 mei 2019 nu verworpen. 

Volgens haar schendt artikel 11bis van de Raad van State-wetten de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Zo worden o.m. de rechten van de tegenpartij geenszins onevenredig beperkt. 

Het Hof verklaart artikel 11bis dan ook bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie en bevestigt zodoende de grondwettigheid van deze bepaling op dit punt. 

Het arrest vindt u hier

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Grondwettelijk Recht
Tags Grondwettelijk recht, Merlijn De Rechter, Overheidsaansprakelijkheid, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/05/2019

Tegen een gunningsbeslissing kunnen ontvankelijk enkel middelen worden aangevoerd die betrekking hebben op de onderliggende (niet-)selectiebeslissing

Daar herinnert de Raad van State ons aan in het arrest nr. 244.583 van 23 mei 2019:

'De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, gesteund op het feit dat geen middel wordt aangevoerd dat gericht is tegen de bestreden gunningsbeslissing zelf. Het enig middel dat enkel gericht is tegen de selectiebeslissing zou volgens haar niet ontvankelijk zijn zodat ook het beroep gericht tegen de gunningsbeslissing niet ontvankelijk zou zijn.

De exceptie, waarop de verwerende partij overigens niet meer terugkomt in haar laatste memorie, wordt verworpen. De selectiebeslissing en de gunningsbeslissing maken deel uit van één complexe rechtshandeling. De verzoekende partij voert in de beide [gevoegde] zaken de onwettigheid aan van de selectiebeslissing. Een gebeurlijke onwettigheid van de selectiebeslissing tast niet alleen deze beslissing aan doch ook de daarop gesteunde gunningsbeslissing'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Overheidscontracten
Tags Dirk Van Heuven, Overheidsopdrachten
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
25/05/2019

Omschrijf je cassatiemiddelen zo duidelijk als mogelijk voor de Raad van State!

Het is natuurlijk altijd belangrijk om je middelen zo scherp als mogelijk te formuleren voor een administratieve rechtbank als de Raad van State. De lat ligt zo mogelijk nog hoger bij een cassatieberoep voor de Raad van State.

Zo blijkt (nogmaals) uit het arrest van de Raad van State nr. 244.591 van 23 mei 2019 aangaande een voorziening tegen een arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen:

Luidens artikel 3, § 2, 9°, van het cassatieprocedurebesluit moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de cassatiemiddelen” bevatten.

Onder “cassatiemiddel” moet een voldoende duidelijke omschrijving van de door het bestreden arrest geschonden rechtsregel of rechtsbeginsel worden begrepen. Onder “uiteenzetting” van het cassatiemiddel moet worden begrepen de wijze waarop die rechtsregel of dat rechtsbeginsel door de bestreden uitspraak worden miskend.

Het middel dat er zich toe beperkt te stellen dat het bestreden arrest “de aangegeven bepalingen” schendt door “toepassing te maken van een onwettige stedelijke verordening”, dat het duidelijk is dat de bescherming van het leefmilieu, de project-MER-verplichting en de regelgeving inzake ruimtelijke ordening van openbare orde zijn en dat de “feitelijke elementen nodig voor de beoordeling van het middel” blijken uit het bestreden arrest, ontbeert de rechtens vereiste uiteenzetting op welke wijze elk van de aangevoerde bepalingen door het bestreden arrest wordt miskend.

Het eerste middel wordt verworpen'.

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen
Tags Dirk Van Heuven, Raad van State
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
24/05/2019

Niets efficiënter dan een plaatsbezoek door de rechter bij onvergund gewoonlijk gebruik

Deze morgen besliste de (voorzitter van) de derde kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk ambtshalve tot een plaatsbezoek in het kader van een burgerrechtelijke herstelprocedure aangaande het onvergunde gewoonlijk gebruik van een tuin voor het stapelen van allerlei materiaal, materieel en afval. 

In de praktijk zou dergelijk plaatsbezoek wel eens efficënter kunnen blijken dan een herstelveroordeling, zelfs onder verbeurte van een dwangsom.

Een tip: vraag dergelijk plaatsbezoek reeds in de dagvaarding als voorlopige maatregel...

Referentie: PUB 507340

Gepost door Dirk Van Heuven

Blog Lokale Besturen, Vlaams Omgevingsrecht
Tags Dirk Van Heuven, Handhaving stedenbouw
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
23/05/2019

Grondwettelijk Hof vernietigt gewijzigde definitie van 'verkavelen'!

Krachtens artikel 4.2.15 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna : de VCRO) is het verkavelen van gronden onderworpen aan de omgevingsvergunningsplicht.

Het begrip verkavelen wordt gedefinieerd in artikel 4.1.1, 14° van de VCRO. Artikel 52, 4°, van het decreet van 8 december 2017 houdende wijziging van diverse bepalingen inzake ruimtelijke ordening, milieu en omgeving (hierna : het decreet van 8 december 2017) wijzigde deze definitie, waardoor er slechts sprake is van verkavelen indien een grond vrijwillig wordt verdeeld in twee of meer onbebouwde kavels om ten minste één van die kavels te verkopen of te verhuren voor méér dan negen jaar, om er een recht van erfpacht of opstal op te vestigen, of om één van die overdrachtsvormen aan te bieden, zelfs onder opschortende voorwaarde, zulks met het oog op woningbouw of de oprichting van constructies. 

Een en ander had dan tot gevolg dat een «omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden» niet langer verplicht was voor de opsplitsing van een perceel in één bebouwde en één onbebouwde kavel. 

Het Grondwettelijk Hof vernietigt nu deze gewijzigde definitie. Zij motiveert als volgt:

"De bestreden bepaling heeft tot gevolg dat een « omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden » niet langer verplicht is voor de opsplitsing van een perceel in één bebouwde en één onbebouwde kavel. Hierdoor wordt het mogelijk om, zonder beperking qua omvang van de percelen of het aantal ervan, de vergunningsplicht en al de daaruit volgende waarborgen voor het leefmilieu en de goede ruimtelijke ordening, te vermijden door wat in werkelijkheid een grote verkaveling is, op kunstmatige wijze te faseren.

Bijgevolg worden de omwonenden van dergelijke percelen geconfronteerd met een aanzienlijke achteruitgang van het door de vroegere wetgeving geboden beschermingsniveau, die niet kan worden verantwoord door de aan de bestreden bepaling ten grondslag liggende doelstelling van administratieve vereenvoudiging, zoals vermeld in B.1.2."

Een verkavelingsvergunning zal dus terug nodig zijn... 

Het arrest vindt u hier.

Gepost door Merlijn De Rechter

Blog Vlaams Omgevingsrecht
Tags Merlijn De Rechter, Omgevingsvergunning, Ruimtelijke ordening & Stedenbouw, Verkavelingsvergunning
Stel hier je vraag bij dit blogbericht
Tags